Samenvatting
In deze zaak wordt een Staat veroordeeld voor feiten die hebben geleid tot de erkenning van de vluchtelingenstatus. Op 13 november 2025 oordeelde het EHRM dat Armenië artikel 8 EVRM (recht op privéleven) had geschonden door bedreigingen en de illegale verzameling van persoonlijke gegevens van een lid van de directie van een oppositiepartij, die nadien in Nederland als vluchteling werd erkend.
Feiten: Samenwerking van verzoeker met de Armeense veiligheidsdiensten gevraagd met dwang en bedreigingen
De verzoeker, Hrayr Manukyan, kwam in 2014 in het vizier van de Armeense veiligheidsdiensten nadat hij was verkozen tot lid van de directie van de oppositiepartij Heritage Party. In juni 2014 vond een tweede ontmoeting plaats met een medewerker van de Nationale Veiligheidsdienst (NSS), die hem trachtte te rekruteren. Manukyan nam het gesprek in een café op, zonder medeweten van de betrokken ambtenaar. Tijdens deze ontmoeting vroeg de NSS‑functionaris hem om samen te werken met de dienst; toen Manukyan dit weigerde, uitte de agent verschillende dreigementen. Hij verklaarde met name onder meer dat er zeer ernstige gevolgen zouden kunnen zijn voor de verzoeker en zijn naasten; hij beweerde in wezen bijna alles over de verzoeker te weten; hij suggereerde dat schadelijke informatie over de verzoeker en zijn politieke partij naar de pers zou kunnen worden gelekt; hij stelde dat het aan hem was om te beslissen of de verzoeker Armenië zou mogen verlaten; en hij waarschuwde dat de verzoeker op een zwarte lijst zou worden geplaatst en geen toekomst in de staat zou hebben.
In januari 2016 vluchtte de verzoeker naar Nederland, waar hij in april van datzelfde jaar als vluchteling werd erkend. De betrokken NSS‑agent werd later woordvoerder van het Armeense presidentschap.
Nadat zijn strafrechtelijke klacht door de Armeense autoriteiten was afgewezen, stelde de verzoeker bij het EHRM dat artikel 8 EVRM (recht op privéleven) was geschonden.
Dubbele schending artikel 8 EVRM: geheime informatieverzameling en bedreigingen
Het EHRM onderzoekt twee onderling samenhangende kwesties die mogelijk aanleiding geven tot een inmenging op het privéleven: het verzamelen en opslaan van informatie en het gebruik van dreigementen die met name betrekking hebben op privéaangelegenheden en de mogelijke loopbaan van verzoeker.
De bewering van de agent van de inlichtingendienst dat hij bijna alles over verzoeker wist, zijn suggestie dat er schadelijke informatie zou kunnen uitlekken en de dreiging met plaatsing op een zwarte lijst vormen op zijn minst een prima facie-grond om aan te nemen dat de NSS een aanzienlijke hoeveelheid persoonlijke informatie over verzoeker en zijn politieke partij had verzameld. Het was daarom aan de regering, indien zij daarvoor had gekozen, om de bewijslast te dragen en de beweringen van de verzoeker op overtuigende wijze te weerleggen. De regering heeft deze beweringen niet ontkend; integendeel, zij heeft in feite toegegeven dat er bepaalde informatie over de verzoeker was verzameld.
Het EHRM merkt op dat de bedreigingen ernstig van aard waren. Zij konden gegronde angst, onrust en een gevoel van onzekerheid veroorzaken, waardoor de psychische integriteit en het welzijn van verzoeker werden aangetast. Dergelijke bedreigingen kunnen ook een afschrikkend effect hebben gehad op het vermogen van verzoeker om vrij en onafhankelijk te handelen, onder meer in zaken betreffende zijn loopbaan, zijn publieke of politieke activiteiten en zijn woonplaats, waardoor zijn persoonlijke autonomie werd aangetast. Opvallend is dat verzoeker na de gebeurtenissen in kwestie naar Nederland is verhuisd, waar hem later asiel werd verleend.
Zowel de informatieverzameling als de bedreigingen vormen inmengingen in het recht op privéleven van verzoeker.
Niets in de Armeense wet laat de inlichtingendiensten toe om dwang te gebruiken om medewerkers te rekruteren. Dit volstaat voor het EHRM om te beslissen dat de inmenging niet “voorzien door de wet” was (§ 62).
Opvallend is dat het EHRM ook acht dat er geen “wettig doel” bestond voor die inmenging (§63). De enige grond van artikel 8§2 EVRM ingeroepen door de regering is de “nationale veiligheid”. Het ontbreken van enige informatie over belangen op het gebied van de nationale veiligheid, in combinatie met de politieke kleur van de verzoeker, geeft aanleiding tot gerechtvaardigde twijfels over de werkelijke motieven achter het optreden van de NSS en, bijgevolg, over de mate waarin dit in overeenstemming is met de grondbeginselen van de rechtsstaat (§ 59).
Artikel 8 EVRM is dus geschonden.
Schending artikel 8 EVRM: gebrek aan daadwerkelijk onderzoek
De klacht van verzoeker is door de Armeense gerechtelijke autoriteiten geseponeerd zonder elementaire onderzoekstaken uit te voeren, zoals het verhoor van de betrokken agent en zijn hiërarchie bij NSS. Volgens het EHRM zijn de duidelijk onrechtmatige handelingen van een overheidsfunctionaris jegens verzoeker door de bevoegde autoriteiten volledig onbehandeld gebleven. Zij hebben geen enkele maatregel genomen om te voorkomen dat dergelijke handelingen zich opnieuw zouden kunnen voordoen.
Dit volstaat voor het EHRM om te concluderen dat Armenië zijn positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM - met name de plicht tot een daadwerkelijk en doeltreffend onderzoek - heeft verzaakt. Artikel 8 EVRM is daarmee opnieuw geschonden.
De verzoeker ontvangt de gevraagde schadevergoeding van 5.000 euro.