Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 59435/17 - 2-02-2023

Samenvatting

In deze zaak oordeelt het EHRM unaniem dat de Hongaarse autoriteiten artikel 2 en 3 EVRM hebben geschonden wegens het gebrek aan een daadwerkelijk onderzoek na het verdrinken van een asielzoeker in de grensrivier tussen Servië en Hongarije (procedureel vlak), en wegens nalatigheden en vertragingen bij de reddingsoperatie. Artikel 3 EVRM werd niet geschonden wat betreft het materiële aspect omdat het EHRM niet kon concluderen of er fysiek geweld werd gebruikt tegen de verzoeker. Het EHRM kent een morele schadevergoeding van 34.000 euro aan de verzoeker.
Feiten: Syrische asielzoeker verdronken bij oversteken van Tisza-rivier tussen Servië en Hongarije
De verzoeker in deze zaak is een Syrische asielzoeker, de broer van een man, die op 1 juni 2016 gestorven is bij een poging om de Tisza rivier tussen Servië en Hongarije over te steken. De verzoeker, zijn broer en hun neef probeerden samen met een Irakees gezin (koppel met drie kinderen) vanuit Servië Hongarije te bereiken. Rond 5 uur s’ morgens staken ze de rivier over in een rubberboot, begeleid door een smokkelaar. De boot ontscheepte de passagiers in het dichte riet een paar meter voor de Hongaarse oever. Omwille van prikkeldraad, de aanwezigheid van Hongaarse politieagenten en soldaten met honden, konden ze Hongaarse oever moeilijk bereiken. De mensen verstopten zich in het riet, waar het koude water tot aan hun heupen kwam, in de hoop niet gespot te worden door de Hongaarse politie en soldaten. Na ongeveer anderhalf uur in deze situatie, roept de Irakese man naar de Hongaarse politie achter de prikkeldraad, of ze met hun kinderen de grens over mogen. Volgens alle passagiers, reageerde de Hongaarse politie door stenen te gooien en traangas te gebruiken (vanop 1,5 meter), waarbij ze “Go back to Serbia!” riepen, ook in het Arabisch. Volgens sommige getuigen werden de politiehonden losgelaten. Op dat moment was de smokkelaar al met zijn boot teruggekeerd naar Servië. Volgens verzoeker en andere passagiers begon zijn broer te hoesten door het traangas. De drie Syriërs besloten om terug naar de Servische oever te zwemmen. Alleen de verzoeker en zijn neef hebben de oever bereikt. De Hongaarse agenten lieten een reddingsboot te water om de broer te zoeken. Ze vonden enkel een drijvende jas en een lege rugzak in het water. Zijn lichaam werd twee dagen later verder in het water teruggevonden. Het Irakese gezin werd gered. De moeder en kinderen werden naar het ziekenhuis gebracht met hypothermie. Een vierde Syriër die niet kon zwemmen bleef verstopt in het riet en slaagde erin nadien de grens te bereiken.
Het gebruik van dwang, traangas en politiehonden door de politie en soldaten wordt betwist door de Hongaarse overheid. Volgens hen heeft de politie aan het Irakese gezin gezegd om op de reddingsboot te wachten. Het onderzoek naar wangedrag door de politie werd door het Hongaarse parket negatief afgesloten. 
Voor het EHRM stelt verzoeker dat de dood van zijn broer te wijten is aan een push-back operatie van de Hongaarse politie (artikel 2 en 3 EVRM, materieel vlak), en dat er geen effectief onderzoek naar zijn dood en het gebruik van dwang, traangas en politiehonden is gevoerd (artikel 2 en 3 EVRM, procedureel vlak).
Schending artikel 2 en 3 EVRM (procedureel vlak): gebrek aan daadwerkelijk onderzoek
Het EHRM onderzoekt eerst of de Hongaarse autoriteiten een daadwerkelijk onderzoek hebben gevoerd. Om "daadwerkelijk" te zijn in de zin van artikel 2 EVRM, moet een onderzoek naar een sterfgeval adequaat zijn. Dit betekent dat het moet kunnen leiden tot de identificatie van de verantwoordelijken en eventueel tot hun bestraffing. Het EHRM herhaalt dat zelfs in gevallen van niet-opzettelijke inmenging in het recht op leven of lichamelijke integriteit een effectief strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk is om te voldoen aan de procedurele verplichting van artikel 2 EVRM. Het is bijvoorbeeld zo dat wanneer overheidsfunctionarissen of -organen nalaten maatregelen te nemen die noodzakelijk en toereikend zijn om de aan een gevaarlijke activiteit inherente risico's af te wenden, en het feit dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het in gevaar brengen van mensenlevens niet strafrechtelijk zijn vervolgd of in staat van beschuldiging zijn gesteld, een schending van artikel 2 kan inhouden.
De Hongaarse autoriteiten waren al snel op de hoogte, onder meer via de Servische grenswachters en de getuigenissen van de passagiers, van de beweerde mishandelingen door de politie en dat de dood van de verzoeker zijn broer mogelijks het gevolg was van de nalatigheid van de grenswachters. Ze hadden dus de positieve plicht om onverwijld de geloofwaardigheid van de klachten te beoordelen (artikel 3 EVRM) en om te onderzoeken of de politieagenten hadden nagelaten maatregelen te nemen die noodzakelijk en toereikend waren om de risico's voor het leven van de broer van verzoeker af te wenden (artikel 2 EVRM).
In casu is het EHRM van oordeel dat het onderzoek niet doeltreffend was en dit omwille van verschillende tekortkomingen.  Ten eerste, werd de omvang van het onderzoek, onder de vage kwalificatie “mishandeling tijdens officiële procedures”, beperkt tot het gebruik van dwang (steen gooien), traangas en politiehonden. De operatie werd niet in zijn geheel onderzocht, waardoor de vraag naar de individuele en institutionele verantwoordelijkheden over het leven van verzoekers broer niet werd onderzocht.  
Ten tweede, concludeerde het Hongaarse parket dat er geen bewijs was om te kunnen vaststellen dat de politie geweld had gebruikt. Die conclusie gebeurde bijna uitsluitend op basis van de verklaringen van de betrokken politieagenten. De getuigenissen van de verzoeker en de andere Syrische en Irakese ooggetuigen werden buiten beschouwing gelaten door het Hongaarse parket, omdat deze – volgens het parket - niet door ander bewijsmateriaal kon worden gestaafd. Het EHRM noteert dat de verklaringen van de politieagenten aanvaard werden zonder een voldoende overtuigende verklaring te geven aan hun discrepanties met de getuigenverklaringen van de migranten; dat die verklaringen mogelijks ook subjectief waren en mogelijks bedoeld om strafrechtelijke aansprakelijkheid te ontlopen (§ 87-88).
Ten derde zijn belangrijke getuigen niet verhoord in het kader van het strafonderzoek en is er geen enkele poging ondernomen om hen te lokaliseren. Ten slotte, werd geen enkele andere politieagent of militair die ongetwijfeld ook aanwezig was op tijdstip van de feiten geïdentificeerd of verhoord.  
Het EHRM is dus van oordeel dat de Hongaarse gerechtelijke autoriteiten geen redelijke inspanningen hebben verricht om het bewijsmateriaal te verzamelen en de feiten vast te stellen. Artikel 2 en 3 EVRM zijn dus geschonden in hun procedurele aspecten.
Schending artikel 2 EVRM (materieel vlak): door nalatigheid en vertragingen van de grenswachters heeft Hongarije zijn positieve verplichtingen niet nageleefd
Bij de vaststelling van de vermeende feiten hanteert het EHRM het criterium van bewijs "buiten redelijke twijfel", waarbij dit bewijs het resultaat is van een voldoende ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende reeks bewijzen of onweerlegbare vermoedens. De verzoeker en andere migranten hebben nauwkeurige, gelijkluidende en consistente verklaringen gegeven over het gebruik van traangas en politiehonden om hen van de Hongaarse oever van de Tisza rivier weg te jagen. Ook algemene vaststellingen van internationale organisaties, waaronder het CPT, bevestigen mishandelingen ten aanzien van migranten, waarbij Hongaarse grenswachters onder meer traangas en politiehonden gebruiken. Desondanks voelt het EHRM zich niet bereid om zonder redelijke twijfel vast te stellen dat traangas of politiehonden zijn gebruikt tegen de broer van de verzoeker, of dat stenen naar hem werden gegooid. Het EHRM merkt tegelijkertijd op dat zijn onvermogen om in dit verband tot enige conclusie te komen grotendeels te wijten is aan de tekortkomingen in het onderzoek dat door de Hongaarse autoriteiten is uitgevoerd (§123).
Zelfs indien het EHRM niet kan vaststellen dat de broer van verzoeker slachtoffer was van politiemishandeling, kan het niet instemmen met het argument van de Hongaarse regering dat enige nalatigheid of gebrek aan vooruitziendheid moet worden toegeschreven aan de slachtoffers van het incident. Op basis van onbetwiste feitelijke elementen  (de Tizsa-rivier is algemeen bekend als een gevaarlijk oversteekpunt waar al incidenten plaatsgevonden hebben; de grenswachtoperatie is een routineoperatie zonder uitzonderlijk karakter; en de politie had mensen richting Servië zien terugzwemmen) besluit het EHRM dat de autoriteiten zich bewust moesten zijn van het reële en dreigende risico dat de migranten liepen en dus wel positieve verplichtingen hadden op basis van artikel 2 EVRM om  maatregelen te nemen om hun leven te beschermen.
Het EHRM stelt vast dat de grenswacht geen enkel plan of instructie heeft gevolgd met het oog op de veilige interceptie of ontscheping van de passagiers van de rubberboot na de detectie ervan. Een belangrijk aantal politieagenten zijn binnen de vijf tot tien minuten na de detectie ter plekke aangekomen zonder dat enige reddingsoperatie georganiseerd werd en zonder dat medische bijstand voor kwetsbare personen werd voorzien. Bovendien kreeg de motorboot de opdracht om te helpen met het van boord halen alleen van de Iraakse familie, die niet aan land kon vanwege de prikkeldraad. Het EHRM stelt vast dat er geen bewijs is van enige poging van de aanwezige agenten om na te gaan of er nog meer personen vastzaten in het water en hulp nodig hadden.
Toen de agenten zich ervan bewust werden dat verzoekers broer in gevaar was, werd niet beoordeeld hoe te reageren op de vele risico's die de verschillende mensen liepen, of hoe hem te helpen. Het EHRM merkt op dat de verslechtering van de situatie grotendeels te wijten was aan het feit dat de reddingsoperatie niet goed doordacht was.
Om al deze redenen concludeert het EHRM dat de Hongaarse autoriteiten niet alles hebben gedaan wat redelijkerwijs kon worden verwacht om verzoekers broer het door artikel 2 EVRM vereiste niveau van bescherming van zijn leven te bieden. Het materiële vlak van artikel 2 EVRM is dus ook geschonden.
Geen schending artikel 3 EVRM: onmogelijke vaststelling fysieke dwang omwille van gebrekkig onderzoek van de Hongaarse autoriteiten.
Aangezien het EHRM niet heeft kunnen concluderen of de Hongaarse politie verzoekers broer en andere migranten al dan niet heeft mishandeld, kan het logischerwijze ook niet vaststellen dat er behandelingen in strijd met artikel 3 EVRM hebben plaatsgevonden. Opnieuw onderlijnt het EHRM dat dit te wijten is aan de lacunes van de overheid die geen effectief onderzoek heeft gevoerd.
Artikel 3 EVRM (materieel vlak) is dus niet geschonden.