Samenvatting
Het EHRM behandelde de zaak van een Iraanse man die in Griekenland in een politiebureau werd vastgehouden onder slechte omstandigheden, waaronder overbevolking, slechte hygiëne en gebrek aan medische zorg, wat zijn astma verergerde. Het EHRM stelde vast dat deze omstandigheden in strijd waren met artikel 3 EVRM en dat de nationale rechtbanken zijn klachten daarover onvoldoende hadden onderzocht, waardoor ook artikel 13 juncto artikel 3 EVRM was geschonden. Hoewel de detentie twee maanden en achttien dagen duurde, oordeelde het EHRM dat deze periode niet buitensporig was en dat de autoriteiten te goeder trouw en met voldoende voortvarendheid hadden gehandeld, zodat geen schending van artikel 5 § 1 EVRM werd vastgesteld.
Feiten: detentie in Grieks politiebureau zonder nodige voorzieningen
De zaak betreft een Iraanse man, geboren in 1980, die in augustus 2012 illegaal Griekenland binnenkwam en daar onmiddellijk asiel aanvroeg op grond van zijn seksuele geaardheid en religieuze overtuiging. Hij werd gearresteerd en in administratieve detentie geplaatst, in een politiecommissariaat. Zijn eerste asielaanvraag werd stopgezet omdat hij niet op het geplande interview verscheen, naar eigen zeggen door gebrekkige informatie en persoonlijke omstandigheden. In maart 2013 liet hij zich dopen in een Baptistenkerk in Athene en kort daarna werd bij hem bronchiale astma vastgesteld, waarvoor hij medische behandeling kreeg en rook- en vochtige omgevingen moest vermijden. In juli 2013 werd hij opnieuw gearresteerd wegens het ontbreken van verblijfsdocumenten en een lopend uitzettingsbevel. Hij diende daarop een nieuwe asielaanvraag in, ondersteund door medische verklaringen, zijn doopbewijs en getuigenissen van zijn partner en diens familie.
Tijdens zijn detentie klaagde hij over de omstandigheden: een overvolle cel zonder ventilatie, constante rook van andere gedetineerden, slechte hygiëne en onvoldoende medische zorg, wat zijn astma ernstig verergerde. Hij beriep zich op de artikelen 3, 5 en 13 EVRM en stelde dat er geen effectieve rechtsmiddelen waren om zijn detentie en de omstandigheden daarvan aan te vechten. De Griekse rechtbanken wezen zijn bezwaren af, omdat zijn medische klachten niet ernstig genoeg zouden zijn en zijn sociale bindingen in Griekenland onvoldoende bewezen waren. Uiteindelijk werd hij in september 2013 vrijgelaten en in oktober 2013 kreeg hij de vluchtelingenstatus toegekend, waarmee zijn uitzetting werd opgeschort.
Schending artikel 3 EVRM wegens ongeschikte detentieomstandigheden in politiebureau
Het EHRM merkt op dat het al vele malen de detentieomstandigheden van personen die in Griekse politiebureaus in afwachting van uitzetting of voorlopige hechtenis verbleven, heeft onderzocht en heeft geoordeeld dat deze in strijd waren met artikel 3 EVRM (zie: H.T. tegen Duitsland en Griekenland, nr. 13337/19, § 82, 15 oktober 2024, met vele verdere verwijzingen).
In elk van die zaken waren er specifieke tekortkomingen in de detentieomstandigheden van de verzoekers, met name overbevolking, gebrek aan buitenruimte voor lichaamsbeweging, slechte sanitaire omstandigheden en voedsel van slechte kwaliteit. Naast deze specifieke tekortkomingen baseerde het EHRM zijn oordeel dat artikel 3 EVRM was geschonden ook op de aard van politiebureaus zelf, die uitsluitend zijn ontworpen voor kort verblijf.
In deze zaak merkt het EHRM op dat de verzoeker, ondanks zijn bezwaren, gedurende een periode van twee maanden en achttien dagen werd vastgehouden in het politiebureau van Kolonos, een faciliteit die qua ontwerp niet beschikte over voorzieningen die noodzakelijk zijn voor langdurige detentie (zie H.T. tegen Duitsland en Griekenland, hiervoor aangehaald, § 83).
Gelet op zijn rechtspraak over dit onderwerp en het door partijen ingebrachte materiaal, merkt het EHRM op dat de Griekse regering geen feiten of argumenten heeft aangevoerd die het EHRM ertoe zouden kunnen brengen in deze zaak tot een andere conclusie te komen dan in de hierboven aangehaalde zaken.
Het EHRM oordeelt dat er dus sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.
Schending artikel 13 iuncto artikel 3 EVRM: onvoldoende rechterlijke toetsing van detentieomstandigheden
De verzoeker stelde dat het rechtsmiddel van bezwaren tegen detentie op grond van artikel 76 van Wet nr. 3386/2005 in de praktijk ineffectief was, omdat klachten over detentieomstandigheden stelselmatig werden afgewezen en de nationale rechtbanken zijn concrete omstandigheden niet hadden onderzocht, ondanks hun bevoegdheid daartoe. Zijn vorderingen waren volgens hem afgewezen op basis van formalistische redenering zonder aandacht voor de gevolgen van langdurige detentie voor zijn gezondheid, asielprocedure, persoonlijke situatie en klachten over mishandeling wegens zijn seksuele geaardheid. De Griekse regering betoogde daarentegen dat de verzoeker wel toegang had tot gerechtelijke procedures, waarbij zij wees op het rechtsmiddel van bezwaren dat vreemdelingen toestond de rechtmatigheid van hun detentie aan te vechten, en benadrukte dat sinds de wetswijziging van 2010 de rechterlijke toetsing aanzienlijk was uitgebreid zodat administratieve rechters elk aspect van de detentie konden beoordelen.
Het EHRM merkt op dat krachtens artikel 76 §§ 4 en 5 van Wet nr. 3386/2005, zoals gewijzigd door artikel 55 § 2 van Wet nr. 3900/2010, de administratieve rechtbanken die bezwaren ontvangen van een gedetineerde in het kader van uitzetting, bevoegdheden hebben om niet alleen te toetsen of deze persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of een risico op onderduiken, maar ook om zich te “verzetten tegen de detentie” en aldus elk aspect van zijn detentie te onderzoeken. Daarbij dienen zij rekening te houden met concrete en onderbouwde klachten over gezondheidstoestand of leeftijd, klachten over overbevolking en naleving van de voorwaarden die detentie rechtvaardigen, en de mogelijkheid te overwegen om minder beperkende maatregelen toe te passen of om vrijlating of overplaatsing naar meer geschikte faciliteiten te gelasten (zie Herman en Serazadishvili tegen Griekenland, nrs. 26418/11 en 45884/11, § 72, 24 april 2014, en MD tegen Griekenland, § 65, hiervoor aangehaald). Het EHRM merkt verder op dat de wijziging van artikel 76 van Wet nr. 3386/2005 en het bestaan van rechtspraak van de nationale rechtbanken, waarin zij de rechtmatigheid van detentie met het oog op uitzetting grondig onderzochten en zo nodig vrijlating gelasten, bijdragen aan het versterken van de waarborgen voor buitenlandse gedetineerden. Niettemin heeft het EHRM eerder vastgesteld dat de nationale rechtbanken geen inhoudelijke beoordeling gaven van onderbouwde klachten over gezondheid of detentieomstandigheden, maar zich beperkten tot korte of stereotiepe redeneringen (ibid., § 68 en S.Z. tegen Griekenland, nr. 66702/13, §§ 71 72, 21 juni 2018).
In deze zaak merkt het EHRM op dat, op de data waarop de Administratieve Rechtbank van Eerste Aanleg te Athene de bezwaren van de verzoeker afwees, de wijzigingen reeds van kracht waren. Het EHRM stelt echter vast dat de verzoeker niet het voordeel kreeg van een beoordeling van zijn klachten over de omstandigheden van zijn detentie in een mate die de mogelijkheden van artikel 76 § 5, zoals gewijzigd, weerspiegelde. Zijn gedetailleerde bezwaren, ondersteund door documentair bewijs, werden door de nationale rechtbanken afgewezen zonder een inhoudelijke beoordeling van hun kern. Met name de opmerkingen van de verzoeker over de impact van detentie op zijn gezondheid, de adequaatheid van medische zorg en de omstandigheden van zijn detentie werden ofwel niet onderzocht, ofwel slechts summier en onvoldoende gemotiveerd door de nationale rechtbanken behandeld. Het EHRM oordeelt dat er sprake is van een schending van artikel 13 EVRM, in samenhang gelezen met artikel 3 EVRM.
Geen schending artikel 5 EVRM
Het EHRM benadrukt dat artikel 5 § 1 (f) EVRM detentie met het oog op uitzetting toestaat zolang de uitzettingsprocedure voortduurt en met de vereiste voortvarendheid wordt uitgevoerd. De vrijheidsbeneming moet voldoen aan nationale wetgeving, maar mag daarnaast niet willekeurig zijn: zij moet te goeder trouw plaatsvinden, nauw verbonden zijn met de opgegeven gronden, plaatsvinden onder passende omstandigheden en niet langer duren dan noodzakelijk. Daarbij geldt dat uitzetting een realistisch vooruitzicht moet zijn. In het geval van de verzoeker onderscheidt het EHRM twee periodes: tussen 7 juli en 6 augustus 2013 was zijn detentie gebaseerd op artikel 76 van Wet nr. 3386/2005 en gericht op het voorkomen van illegaal verblijf en het uitvoeren van een uitzettingsbevel. Vanaf 7 augustus 2013, na een nieuwe asielaanvraag, werd de detentie gebaseerd op presidentiële decreten en had zij tot doel zijn identiteit te verifiëren en een snelle behandeling van zijn aanvraag te waarborgen.
Het EHRM oordeelt dat de autoriteiten te goeder trouw hebben gehandeld en dat de voortgang van de procedures voldoende voortvarend was. Hoewel de omstandigheden van detentie in strijd waren met artikel 3 EVRM, acht het EHRM deze tekortkomingen op zichzelf niet voldoende om de detentie willekeurig te maken in de zin van artikel 5 § 1. De duur van de detentie, twee maanden en achttien dagen, wordt niet als buitensporig beschouwd gezien de administratieve formaliteiten en het ontbreken van voldoende documenten van de verzoeker om zijn identiteit vast te stellen. Daarom concludeert het Hof dat er geen schending van artikel 5 § 1 EVRM heeft plaatsgevonden.