Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 9356/11 - 10-02-2015

Samenvatting

Feiten
De feiten in deze zaak zijn gelijkaardig als die in de hierboven besproken zaak, N.M. t. Roemenië. De verzoeker in de huidige zaak is een Turks onderdaan geboren in 1982. Na een jarenlange aanhanger geweest te zijn van de Koerdische nationalistische bewegingen in Turkije vanaf 2000, diende de verzoeker een asielaanvraag in bij het Roemeense Immigratiebureau in juli 2009. Hij beweerde dat hij werd veroordeeld in Turkije omwille van zijn steun aan de Koerdische guerilla-oorlogsvoering. Het Immigratiebureau keurde zijn aanvraag echter af op grond van ongeloofwaardigheid. Ook de beroepen ingesteld tegen deze beslissing werden afgekeurd. Net zoals in de vorige zaak werd de verzoeker ongewenst verklaard en opgesloten in een immigratiecentrum. Hij beweerde voor het Europees Hof dat Roemenië een schending beging van artikelen 5§1 en 5§4 EVRM.
Artikel 5§1 EVRM: schending
Het Hof is van mening dat de duur van de asielprocedure (2009-2011) niet buitensporig was gezien de complexiteit van de zaak. Daarentegen stelt het Hof een schending vast van artikel 5§1(f) omwille van het feit dat de verzoeker na de weigering van zijn asielaanvraag nog drie maanden langer was vastgehouden zonder een motivering vanwege de autoriteiten en zonder uitleg over de ondernomen stappen vanwege de autoriteiten om zijn verwijdering mogelijk te maken. Het Hof kent de verzoeker een schadevergoeding toe van 4.500 EUR.
Artikel 5§4 EVRM: geen schending
Het Hof gaat er niet mee akkoord dat de verzoeker niet de mogelijkheid heeft gehad om de wettigheid van zijn opsluiting aan te vechten, aangezien het Hof van Beroep duidelijke redenen had gegeven voor zijn beslissing en de verzoeker de mogelijkheid had gehad om de wettigheid van de maatregel in beroep aan te vechten voor het Hooggerechtshof. Daarnaast merkt het Hof op dat de verzoeker geen interesse had getoond in de kennisgeving van de zitting van het Hof van Beroep: hij had slechts een advocaat gecontacteerd na zijn opsluiting in het immigratiecentrum. Met andere woorden, het Hof gaat er van uit dat zijn afwezigheid op de zitting veroorzaakt was door onzorgvuldigheid vanwege de verzoeker. Het Hof besluit dan ook dat artikel 5§4 EVRM niet werd geschonden door Roemenië.