Samenvatting
Ook al is het juist dat de bestreden bepaling voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen geen enkele specifieke maatregel bevat, blijft het feit dat de bestreden wet hen in geen enkel opzicht verhindert om, bij de toepassing van de bij het bestreden artikel 57/6/1 ingevoerde procedure, het voordeel te genieten van de bepalingen die voor hen zijn vastgelegd bij de regelgeving die van toepassing is op asielzoekers, in het bijzonder bij artikel 479 van de programmawet van 24 december 2002 (voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen) en bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
De bestreden bepaling dient bovendien te worden geïnterpreteerd, rekening houdend met artikel 17, leden 4 en 6, van de richtlijn 2005/85/EG, in die zin dat zij geen afbreuk doet aan de verplichting, voor de Commissaris-generaal, om de kwetsbaarheid van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in aanmerking te nemen bij het onderzoek van hun aanvraag.
De termijn van vijftien dagen die door de verzoekende partijen wordt bekritiseerd, is vastgelegd, zoals in B.8.2 wordt aangegeven, bij een bepaling die ertoe strekt de procedure te regelen van het onderzoek waarmee de Commissaris-generaal is belast, en niet de voorwaarden te bepalen waaronder de asielzoeker zijn rechten uitoefent. In de veronderstelling dat hij een dwingende termijn is en in dat opzicht de Commissaris-generaal verhindert om na het verstrijken ervan de beslissing te nemen waarin de bestreden bepaling voorziet, zou hij de Commissaris-generaal niet verhinderen om, met toepassing van de andere bepalingen betreffende asielaanvragen, het onderzoek van die welke voor hem aanhangig zijn, voort te zetten.
Wat de andere in B.12.1 vermelde kwetsbare personen betreft, is het aannemelijk dat de wetgever niet heeft geoordeeld ze te moeten vrijstellen van de bij de bestreden bepaling ingevoerde procedure. Weliswaar blijkt noch uit die laatste noch uit andere bepalingen die op asielzoekers van toepassing zijn, dat die personen waarborgen kunnen genieten die voor hen de bescherming verzekeren die is vereist door de situatie waarin zij zich bevinden. De bestreden bepaling dient niettemin te worden geïnterpreteerd, rekening houdend met artikel 13, lid 3, onder a), van de richtlijn 2005/85/EG, in die zin dat zij geen afbreuk doet aan de verplichting, voor de Commissaris-generaal, om de kwetsbaarheid van die personen in aanmerking te nemen bij het onderzoek van hun aanvraag.