Grondwettelijk Hof - 125/2013 - 26-09-2013

Samenvatting

B.9.1. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen op het vlak van de inkomensgarantie voor ouderen, is het niet gerechtvaardigd dat de rechthebbende op een inkomensgarantie voor ouderen zijn uitkering verlaagd zou zien doordat hij zijn hoofdverblijfplaats deelt met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en niet kan bijdragen in de kosten van het huishouden. In dat geval levert het delen van de hoofdverblijfplaats de uitkeringsgerechtigde immers geen economisch-financieel voordeel op. 
B.9.2. Het zou evenwel evenmin zijn gerechtvaardigd dat een rechthebbende op een inkomensgarantie voor ouderen, de uitkering waarop hij recht heeft, verhoogd zou kunnen zien ten gevolge van het samenwonen met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en op geen enkele wijze kan bijdragen in de uitgaven van het huishouden. Daaruit volgt dat, wanneer de rechthebbende op een inkomensgarantie voor ouderen beschikt over bestaansmiddelen, geen rekening kan worden gehouden met de aanwezigheid van de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling bij de deling van de bestaansmiddelen door het aantal personen die dezelfde hoofdverblijfplaats delen, bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet van 22 maart 2001. 
Onverminderd wat is vermeld in B.9.2, schendt artikel 6, § 2, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het ertoe leidt dat een persoon zijn recht verliest op het verhoogde basisbedrag van de inkomensgarantie voor ouderen wanneer hij zijn hoofdverblijfplaats deelt met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en niet kan bijdragen in de kosten van het huishouden.