Samenvatting
Het Hof werd verzocht om het verschilt te onderzoeken tussen de weigering van terugkeer ten aanzien van een vreemdeling die al lang in België verbleef, en tijdens een verblijf in het buitenland een terugkeervisum vraagt vanwege verlies van de verblijfstitel, en de weigering van verblijf in België ten aanzien van een vreemdeling die al lang in België verblijft.
Het Hof maakt eerst een onderscheid tussen, enerzijds, de situatie waarin het verblijfsrecht is vervallen omdat de termijn voor terugkeer is verstreken of de verblijfstitel is vervallen, en anderzijds de situatie waarin er nog steeds een recht op terugkeer is, maar die terugkeer geweigerd wordt om redenen van openbare orde. Dit arrest gaat enkel over de situatie waarin er nog een recht op terugkeer was, maar het terugkeervisum geweigerd werd om redenen van openbare orde (B.1.5).
Een verschil in behandeling is op zich mogelijk naargelang de beslissing genomen wordt ten aanzien van een vreemdeling die nog in België is, dan wel in het buitenland verblijft. Er moet wel onderzocht worden of de gevolgen niet onevenredig zijn (B.6.1).
In een eerder arrest nr. 112/2019 oordeelde het Hof dat een beëindiging van het verblijf, na lange verblijfsduur, een schending kan uitmaken van het recht op privéleven, los van het al dan niet bestaan van “ gezinsleven ” (punt B.24.5 van arrest 119/2019). Voor vreemdelingen die in België zijn geboren of die vóór de leeftijd van twaalf jaar op het grondgebied zijn aangekomen en die sindsdien er steeds hebben verbleven, zodat zij er naar school zijn gegaan en er gesocialiseerd zijn, enkel aanvaardbaar ten aanzien van de bij de Grondwet gewaarborgde grondrechten en, in het bijzonder, maakt dat dat een beëindiging van verblijf enkel te verantwoorden is als zij wordt gemotiveerd door een ‘ zeer gegronde reden (B.24.6 van arrest 119/2019).
Het Hof verwijst naar de parlementaire voorbereiding bij artikel 22 van de Verblijfswet, waarin verwezen werd naar zeer ernstige feiten die verband houden met de activiteiten van terroristische groepen of die een acuut gevaar voor de nationale veiligheid vormen. Verder bepaalt artikel 23 van de Verblijfswet dat de beslissingen die worden genomen krachtens de artikelen 21 en 22, moeten berusten op een individueel onderzoek.
Het Hof concludeert in arrest 72/2023 dat, wanneer de beslissing tot beëindiging van het verblijf om reden van openbare orde of nationale veiligheid een vreemdeling betreft die in België is geboren of die er vóór de leeftijd van 12 jaar is aangekomen en die er sindsdien hoofdzakelijk en regelmatig heeft verbleven, zij slechts kan worden gemotiveerd door feiten van terrorisme of zeer ernstige criminaliteit (B.7.1)
Vervolgens stelt het Hof vast dat de vreemdeling die in het buitenland is en wiens terugkeer geweigerd wordt, maar tevoren een verblijfsrecht had sinds de geboorte, of aankwam voor de leeftijd van 12 jaar, even sterke banden heeft met België als de vreemdelingen op wie het voormelde uittreksel uit het arrest nr. 112/2019 betrekking heeft. De situatie van de beslissing tot weigering van een terugkeervisum is identiek aan de situatie van het beëindigen van het verblijfsrecht op het grondgebied (B.7.2).
B.8.1. Het is niet verantwoord dat de beslissing tot weigering van terugkeer, wanneer zij eenzelfde draagwijdte heeft als een beslissing tot een beëindiging van het verblijf en tot verwijdering, in de in B.1.4 beschreven situatie, om verschillende redenen kan worden genomen, terwijl de betrokken vreemdelingen zich in dezelfde situatie bevinden en de ten aanzien van hen op basis van artikel 19, § 1, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 genomen beslissing eenzelfde draagwijdte heeft als een beslissing tot beëindiging van het verblijf die op basis van de artikelen 21 en 22 van dezelfde wet wordt genomen.
B.8.2. In die zin geïnterpreteerd dat het in de in B.1.4 beschreven situatie toegelaten is dat een beslissing houdende weigering van terugkeer genomen ten aanzien van een vreemdeling die in België is geboren of die vóór de leeftijd van twaalf jaar op het grondgebied is aangekomen en die er sindsdien hoofdzakelijk en regelmatig heeft verbleven, wanneer die beslissing eenzelfde draagwijdte heeft als een beslissing tot beëindiging van het verblijf, wordt genomen om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, is artikel 19, § 1, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Omdat de wettekst van artikel 19 niet expliciet vermeld welke redenen van openbare orde ingeroepen kunnen of moeten worden bij het weigeren van het recht op terugkeer, moet de wettekst zelf niet aangepast worden (B.9.1).
Artikel 19, § 1, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 kan dus in die zin worden geïnterpreteerd dat, in de in B.1.4 beschreven situatie, wanneer de weigering tot terugkeer om redenen van openbare orde of van nationale veiligheid eenzelfde draagwijdte heeft als een beslissing tot beëindiging van het verblijf en ze betrekking heeft op een vreemdeling die er is geboren of die vóór de leeftijd van twaalf jaar op het grondgebied is aangekomen en die er sindsdien hoofdzakelijk en regelmatig heeft verbleven, zij slechts kan worden gemotiveerd door feiten van terrorisme of zeer ernstige criminaliteit. In een andere interpretatie zou het artikel evenwel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden (B.9.1 en B.9.2).