Samenvatting
De wetgever maakt het de door artikel 10, eerste lid, van het Wetboek beoogde kinderen niet onmogelijk om een nationaliteit te bezitten, maar beperkt zich ertoe te beletten dat diegenen onder hen die, door middel van een eenvoudige administratieve handeling, een andere nationaliteit kunnen genieten, automatisch de Belgische nationaliteit verkrijgen. De doeltreffendheid van het recht van het kind om een nationaliteit te verwerven, zou weliswaar in het gedrang komen indien het verkrijgen van de nationaliteit van de vreemde Staat was onderworpen aan een discretionaire beoordeling van de overheden die de vreemde Staat vertegenwoordigen. Zulks is evenwel niet de draagwijdte van de bestreden bepaling, vermits uit de bewoordingen ervan kan worden afgeleid dat het moet gaan over een kind dat beschikt over het recht op de nationaliteit van een bepaalde Staat. Bovendien vormt artikel 10, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een uitzondering op de grondregel vervat in het eerste lid van hetzelfde artikel, en moet het om die reden restrictief worden geïnterpreteerd door terdege rekening te houden met het in B.8.3 vermelde doel van de wetgever. Zo zal die bepaling niet van toepassing zijn wanneer de ouders van het kind zich onmogelijk kunnen richten tot de diplomatieke of consulaire overheden van hun land van herkomst. Dat is met name het geval voor de ouders die in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen als vluchtelingen zijn erkend.