Grondwettelijk Hof - 84/2013 - 13-06-2013

Samenvatting

Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 39/73, § 2 Vw. in zoverre het bepaalt dat de termijn van vijftien dagen voor de partijen om te vragen om te worden gehoord loopt vanaf de datum van verzending van de beschikking waarbij de kamervoorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de door hem aangewezen rechter de partijen ervan in kennis stelt dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen, terwijl voor de adressaten van administratieve beslissingen de termijnen pas beginnen te lopen vanaf het ogenblik dat zij daadwerkelijk kennis nemen van de beslissingen waarvan hun kennis wordt gegeven. Artikel 39/73, § 2, bepaalt: «Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In de beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden. Indien een nota met opmerkingen is ingediend, wordt deze samen met de beschikking medegedeeld». Hoewel zij zich in objectief verschillende situaties bevinden, zijn de personen die door de in het geding zijnde bepaling worden beoogd en diegenen aan wie kennisgeving wordt gedaan van administratieve beslissingen buiten elke geschillenprocedure om, niet dermate verschillend dat zij niet zouden kunnen worden vergeleken. Het gaat immers in beide gevallen om personen die de adressaten van een akte zijn en voor wie verschillende regels gelden voor de berekening van termijnen om een beslissing aan te vechten die weliswaar, in het eerste geval, uitgaat van een rechterlijke instantie en, in het tweede, van een administratieve overheid. Artikel 39/73 Vw. werd ingevoegd bij artikel 172 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, werd vervangen bij artikel 41 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II). De specifieke kenmerken, de toename en het dringend karakter van de geschillen die zijn ontstaan uit de toepassing van de Vreemdelingenwet verantwoorden de goedkeuring van bijzondere regels die geschikt zijn om de behandeling van de beroepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te versnellen. De maatregelen die zijn bestemd om de procedure te versnellen en te vereenvoudigen, zijn evenwel enkel toelaatbaar op voorwaarde dat zij niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan het recht van de verzoekers om de jurisdictionele waarborgen te genieten die het hun mogelijk maken hun grieven die onder meer uit de schending van de bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechten zijn afgeleid, in het kader van een daadwerkelijk rechtsmiddel door een rechter te laten onderzoeken. Zoals het Hof heeft geoordeeld in B.28.2 van het arrest nr. 88/2012 van 12 juli 2012, heeft de wetgever, door het de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter mogelijk te maken te oordelen, na inzage van de door de partijen uitgewisselde schriftelijke stukken, dat het niet noodzakelijk is dat zij hun opmerkingen nog mondeling uiteenzetten, een maatregel genomen die in verband staat met het doel dat hij nastreeft. Te dezen wordt het gebrek aan wettelijke preciseringen over de beroepen waarvan kan worden aangenomen dat zij geen mondelinge uitwisseling van argumenten vereisen, gecompenseerd door de waarborg dat de partijen tijdens een terechtzitting worden gehoord indien een van hen daarom verzoekt. Aldus heeft de verzoeker, na inzage van de met redenen omklede beschikking waarbij de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter hem op de hoogte brengt van het feit dat hij van oordeel is dat een terechtzitting niet noodzakelijk is, evenwel het recht om zijn argumenten uiteen te zetten en mondeling op die van de tegenpartij te antwoorden indien hij daarom verzoekt. Rekening houdend met het door de wetgever nagestreefde doel van efficiëntie en snelheid van de procedure en met de in B.5 beschreven bijzonderheden van de geschillen, is het niet zonder redelijke verantwoording de termijn van het verzoek, door een van de partijen, om te worden gehoord tijdens een terechtzitting, te laten ingaan vanaf het verzenden van de beschikking van de kamervoorzitter of van de door hem aangewezen rechter. Die beschikking, die wordt genomen na een uitwisseling door de partijen van hun schriftelijke argumenten, heeft enkel tot doel de partijen de mogelijkheid te bieden om te vragen dat die terechtzitting zou plaatsvinden, indien de rechterlijke instantie zou hebben geoordeeld dat een schriftelijke procedure kon volstaan. Krachtens artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt de beschikking verzonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of per bode tegen ontvangstbewijs. Ook al kan het feit dat de datum van verzending van de beschikking als aanvangspunt van de termijn wordt beschouwd, in werkelijkheid die termijn inkorten, toch wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de jurisdictionele waarborgen van de betrokken partijen omdat die termijn voldoende lang blijft om een eventueel verzoek in te dienen om te worden gehoord, des te meer omdat dat verzoek niet de opmerkingen moet bevatten die de verzoekende partij op de terechtzitting wil uiteenzetten.