Grondwettelijk Hof - 96/2009 - 4-06-2009

Samenvatting

Krachtens de in het geding zijnde bepaling, waarbij België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden, wordt op het stuk van het overlevingspensioen rekening gehouden met gevolgen van de mogelijkheid van polygamie naar Marokkaans recht en wordt vooropgesteld dat in dat geval de verschillende nabestaande huwelijkspartners op een gelijk gedeelte van dat pensioen aanspraak kunnen maken, veeleer dan dat iemand daarvan wordt uitgesloten. Bovendien ermee rekening houdend dat het wettelijke pensioenstelsel niet erin voorziet dat het integraal kan worden uitgekeerd aan meerdere begunstigden, is het niet onevenredig dat, ook wanneer het erop aankomt rekening te houden met de gevolgen van een polygame situatie ten aanzien van het overlevingspensioen, niet voor elk van de nabestaande huwelijkspartners een integraal overlevingspensioen wordt uitgekeerd. Uit wat voorafgaat, volgt dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 11 en 11bis van de Grondwet. De toetsing aan de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en 2, lid 1, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waartoe de prejudiciële vragen voorts uitnodigen, leidt niet tot een andere conclusie.