Hof van beroep Brussel - 2023/FA/169 - 3-10-2023

Samenvatting

Palestina is wel degelijk in staat om relaties met andere Staten aan te gaan.

De Palestijnse Nationale Autoriteit heeft een diplomatieke vertegenwoordiging in minstens 90 Staten, en Palestina werd door de Verenigde Naties in 2012 erkend als een ‘waarnemende Staat niet lid van de VN’ waardoor het kan deelnemen aan VN-Commissies en zich desgevallend kan wenden tot het Internationaal Gerechtshof in Den Haag bij juridische conflicten met andere Staten.

Palestina heeft trouwens reeds diverse internationale akkoorden afgesloten (o.a. het Arab Charter on Human Rights en de UNESCO Cultural Heritage Convention).

Verder wordt Palestina door minstens 139 Staten van de wereld erkend als een onafhankelijke Staat, waarvan minstens 137 van de 193 Lidstaten van de Verenigde Naties, dit is dus door meer dan 70% van de Staten. Onder meer 9 EU-lidstaten, namelijk Cyprus en Malta (sinds 1988), Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Slovakije, Hongarije, Roemenië en Polen (voor hun intreden in de EU) en Zweden (sinds 2014), hebben Palestina als Staat erkend.

Op basis van al deze elementen, moet in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft aangenomen, worden besloten dat Palestina hic et nunc als een Staat moet worden beschouwd (vgl. Cass 24 januari 2022, T.Vreemd. 2022/3 (samenvatting), 264).

Geïntimeerde kan zich niet beroepen op het niet bestaan van Palestina als Staat om te stellen dat hij staatloos is.

Overeenkomstig artikel 1.1. van het Apatridenverdrag van 1954 betekent voor de oogmerken van dat verdrag, de notie "Staatloos persoon": een persoon die door geen enkele Staat, krachtens diens rechtsstelsel, als diens onderdaan wordt beschouwd ["For the purpose of this Convention, the term "stateless person" means a person who is not considered as a national by any State under the operation of its law"].

De nationaliteit is de juridische band die een individu met een Staat verbindt en via die nationaliteit geniet het individu van hem door het volkenrecht verleende rechten en bescherming.

De vraag rijst of geïntimeerde door de Staat Palestina, krachtens het rechtstelsel van deze Staat, als diens onderdaan wordt beschouwd.

Het hof houdt voor de beoordeling dienaangaande rekening met het volgende:

- volgens de Montevideo Conventie dient een Staat als persoon van het internationale recht te beschikken over een permanente bevolking en in dat geval moet deze bevolking worden beschouwd als de bevolking van deze Staat;
- er is wel degelijk een Palestijnse bevolking, die formeel wordt aangemerkt in officiële documenten zoals identiteitspapieren, paspoorten voor Palestijnen, een familieregistratiekaart van het UNRWA, dat specifiek is opgericht om bescherming te bieden aan Palestijnen (UNRWA Staat immers voor 'United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East'; vertaling uit het Engels: VN-Agentschap voor Hulp en Steun voor de Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten);
- overeenkomstig artikel 1.1. van het Apatridenverdrag van 1954 is geenszins vereist dat er in de betrokken Staat een "wetgeving" bestaat die gedetailleerd regelt op welke manier een "nationaliteit" van die Staat verworven, respectievelijk verloren kan worden;
- de term 'wetgeving' ("under the operation of its law" in de authentieke Engelstalige versie van het verdrag) moet in ruime zin worden begrepen (UNHCR, Handbook on protection of state/ess persons under the 1954 convention relating to the status of stateless persons, Geneva, UNHCR, 2014, 12 - vrij vertaald: Handboek over de bescherming van staatloze personen op grond van het Verdrag van 1954 betreffende de status van staatlozen). Hieronder moet bijgevolg niet enkel wetgeving in de strikte zin, maar ook ministeriële decreten, reglementen, ordonnanties, rechtspraak of de gewoonterechtelijke praktijk worden begrepen;
- het gebeurlijke afwezig zijn van een nationaliteitswet zoals dit gekend is in het rechtsstelsel van België en van andere Europese landen, daar waar dit eveneens ingevolge gewoonterecht bepaald kan worden, heeft niet tot gevolg dat de permanente bevolking van Palestina niet de Palestijnse nationaliteit zou kunnen hebben (in dat geval zou aldus niemand, ook niet de President Mahmoud Abbas, de Palestijnse nationaliteit kunnen hebben, wat ongerijmd is).

Het hof is van oordeel, gelet op alle voorgaande elementen en in lijn met dit verdrag, dat het volstaat dat de betrokken Staat op grond van het rechtstelsel dat in die Staat voorhanden is, de betrokken persoon als diens onderdaan beschouwt.

De vraag is aldus of de Palestijnse Staat geïntimeerde als zijn onderdaan beschouwt.

Een persoon van Palestijnse afkomst die niet in de UNRWA-registers werd ingeschreven maar wel in de registers van de Palestijnse Autoriteit, die in de bezette gebieden woonde en over een paspoort of identiteitsbewijs beschikt afgeleverd door de Palestijnse autoriteit, wordt beschouwd als een onderdaan van de Staat Palestina en niet als staatloze.

Een persoon van Palestijnse afkomst die geregistreerd is bij UNRWA en eventueel ook bij de Palestijnse Autoriteit, die in Palestijns bezet gebied verblijft, en die een paspoort of identiteitsdocumenten heeft gekregen van de Palestijnse Autoriteit is evenmin staatloos (want geniet de bescherming en bijstand van UNRWA).

In deze beide gevallen hebben de betrokken personen een recht op verblijf en terugkeer en genieten zij van de juridische bescherming van de Staat Palestina die hen als diens onderdaan beschouwt, wat afdoende blijkt uit de afgeleverde documenten.

Zoals hoger vermeld heeft de VN, om de Palestijnen te helpen, het UNRWA (United Nations Relief & Works Agency of Agentschap voor Hulp en Steun van de Verenigde Naties voor de Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten) opgericht (supra nr. 10), waarvan de bescherming wordt toegekend volgens een ratione personae criterium (gedurende minstens twee jaar voor het conflict van 1948 zijn normale verblijfplaats hebben gehad in Palestina en omwille van dit conflict tegelijkertijd zijn thuis en zijn bestaansmiddelen hebben verloren) en een ratione loci criterium (een onderkomen hebben gevonden in één van de landen waar het UNRWA hulp verstrekt, dit wil zeggen Syrië, Libanon, Jordanië en de bezette grondgebieden van Cisjordanië en Gaza).

Wanneer een Palestijns vluchteling een van de zones, waaronder Libanon, verlaten heeft waarbinnen de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) haar opdracht vervult, en - zelfs maar tijdelijk - verbleven heeft in een land waarin de voormelde organisatie haar opdracht niet vervult, geniet die vluchteling haar bescherming of bijstand niet meer (art. 1, § 2, (i) Verdrag 28 september 1954 betreffende de Status van Staatlozen) (vgl. Cass. (Ie k.) AR C.06.0427.F, 22 januari 2009 (A.M./ Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, RW 2010- 11/11, 450).

Het hof is, gelet op alle voormelde elementen in onderling verband beschouwd, van oordeel dat een persoon van Palestijnse afkomst die niet beschikt over een paspoort of identiteitsbewijs uitgegeven door de Palestijnse autoriteit en die niet in Palestijns bezet gebied verbleef, die weliswaar tijdelijk onder de bescherming van het UNRWA verbleef, maar hieraan een einde is gekomen, geen beroep kan doen op de diplomatieke of consulaire bescherming van de Staat Palestina, geen recht op terugkeer heeft, geen recht van verblijf en/of stemrecht en niet langer kan genieten van enige bijstand of bescherming van een Staat of van UNRWA.

Uit geen enkel van de voorgaande elementen, zelfs in onderling verband beschouwd blijkt dat deze personen, hic et nunc door de Staat Palestina als een onderdaan worden beschouwd en in zoverre zij evenmin door een andere Staat als onderdaan worden erkend/beschouwd, zijn deze personen staatloos.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie een identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, afgeleverd door het Libanese ministerie van binnenlandse zaken, neerlegt. Het openbaar ministerie legt bovendien een geboorteakte neer van geïntimeerde, eveneens afgeleverd door de Libanese autoriteiten.

Uit deze documenten blijkt geenszins dat geïntimeerde de Libanese nationaliteit bezit.

Gelet op alle voormelde elementen in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat appellant niet kan aantonen dat geïntimeerde door een Staat als diens onderdaan wordt beschouwd zodat het hoger beroep ongegrond is.