Samenvatting
Artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 van de wet gestelde voorwaarden te voldoen en een verzoek om internationale bescherming doet aan de grens mag worden vastgehouden, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, in afwachting van de machtiging om in het Rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied.
Artikel 74/5, § 1, tweede lid, Vreemdelingenwet verduidelijkt dat geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.
Artikel 56 van de wet van 21 november 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, heeft artikel 74/5 Vreemdelingenwet gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis van deze wet vloeit voort dat de wetgever artikel 8.3.c Opvangrichtlijn heeft omgezet, om de administratieve overheid toe te laten een verzoeker van internationale bescherming, die niet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied voldoet, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in hetgrensgebied vast te houden, alsook om “in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker [van internationale bescherming] om het grondgebied te betreden”, zoals het vermelde artikel 8.3.c het voorziet.
Bij de beoordeling van de wettigheid van de op grond van bovenvermelde bepalingen genomen beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, die wordt genomen om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van een verzoeker om internationale bescherming om het grondgebied te betreden, mag het onderzoeksgerecht rekening houden met het feit dat door de verzoeker aan de grens valse documenten werden voorgelegd, zonder dat dit onderzoeksgerecht er moet van uitgaan dat het voorleggen van valse documenten slechts het niet-vervullen van een binnenkomstformaliteit betreft of eigen is aan de hoedanigheid van een verzoeker om internationale bescherming.
In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
Het arrest (p. 5) stelt vast dat de beslissing tot vasthouding is gesteund op volgende motieven: de vasthouding wordt noodzakelijk geacht om de eventuele terugdrijving van het grondgebied te waarborgen, de vasthouding is geenszins uitsluitend omdat om internationale bescherming werd verzocht; de vasthouding werd op individuele wijze beoordeeld aangezien werd getracht het Rijk binnen te komen zonder de bij artikel 2 Vreemdelingenwet vereiste documenten en zonder te voldoen aan de in artikel 3 van die wet gestelde voorwaarden én een verzoek tot internationale bescherming werd ingediend; de vasthouding wordt noodzakelijk geacht om een eventuele terugkeer door de verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij mogelijk te maken daar valse of misleidende informatie of andere onwettige middelen werden gebruikt in het kader van een procedure voor internationale bescherming. Het arrest oordeelt dat deze motieven overeenstemmen met de bepalingen van artikel 8.3.c en 8.3.d Opvangrichtlijn.
Het arrest (p. 7) oordeelt ook dat de motivering van de beslissing tot vasthouding de beoordeling van de beginselen van noodzakelijkheid en subsidiariteit inhoudt en de vasthouding in het bijzonder noodzakelijk wordt geacht om de eventuele terugdrijving van het grondgebied te waarborgen. Concreet wordt volgens het arrest aangehaald dat de eiser het grondgebied probeerde binnen te komen met vervalste reisdocumenten én een verzoek om internationale bescherming indiende,
een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast aangezien het automatisch opheffen van een vasthoudingsmaatregel bij een verzoek tot internationale bescherming aan de grens de grensbewaking van elk effect zou beroven en aangezien een eventuele terugkeer van de eiser door de verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij mogelijk moet worden gemaakt.
Het arrest (p. 8) oordeelt verder dat, in tegenstelling tot hetgeen de eiser voorhoudt, het hier niet enkel een geval van niet-vervullen van binnenkomstformaliteiten betreft, hetgeen artikel 8.3.a Opvangrichtlijn viseert, doch het trachten het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden te voldoen én het doen van een verzoek om internationale bescherming aan de grens met gebruik van valse documenten en dat er derhalve geen sprake is van het louter vaststellen van het niet in het bezit zijn van de binnenkomstdocumenten en het niet kunnen voorleggen van documenten ter staving van het doel en verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf.
Het middel dat niet al deze redenen in zijn kritiek betrekt, maar integendeel ervan uitgaat dat volgens de appelrechters het enkele feit van het niet-vervullen van binnenkomstformaliteiten de maatregel tot vasthouding rechtvaardigt, berust op een onjuiste lezing van het arrest.
In zoverre mist het middel feitelijk grondslag.