Samenvatting
Artikel 57, § 2, 2° OCMW-wet beperkt, in afwijking van andere bepalingen van de wet, de opdracht van het OCMW tot het vaststellen van de staat van behoeftigheid. De ouders voeren, immers, hun onderhoudsplicht ten aanzien van een minderjarige vreemdeling, die samen met de ouder onwettig verblijft in het land, niet uit of zijn niet in staat die taak op zich te nemen. De maatschappelijke dienstverlening is in dat geval beperkt tot de materiële hulp dit onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind. Deze wordt uitsluitend toegekend door een federaal opvangcentrum conform de voorwaarde vastgelegd bij KB.
Artikel 3 van het KB van 24 juni 2004, dat het KB van 1 juli 2006 wijzigt, stelt dat het OCMW op basis van een sociaal onderzoek nagaat of alle wettelijke voorwaarden voor de materiële hulp uit artikel 57, § 2, 2° OCMW-wet voldaan zijn.
Artikel 4 van het KB stelt dat als de voorwaarden voldaan zijn, het OCMW de aanvrager moet informeren dat hij zich naar een Federaal opvangcentrum kan begeven.
Uit artikel 3 en 4 volgt dat het sociaal onderzoek moet gebeuren voor het principieel akkoord van de aanvrager over de opvang in een opvancentrum. Door te stellen “dat de rechtbank vastgesteld heeft dat de verklaring van afstand op dezelfde dag van aanvraag werd voorgelegd ter ondertekening door de verweerder, dus noodzakelijk voor het sociaal onderzoek (bedoeld om de grootte van de noden van de kinderen vast te stellen) was afgerond; dat, op basis van zijn overwegingen en andere motieven van de beslissing, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beslissing van de verzoeker niet gerechtvaardigd is en dat de staat van behoeftigheid niet regelmatig werd vastgesteld; dat 57, § 2, 2° OCMW-wet een derogatoir artikel is dat aan de verzoeker toelaat ontheven te worden van zijn plicht tot het leveren van de meest gepaste steun en dat daaruit volgt dat, als de voorwaarden van artikel 57, §2, 2° niet gerespecteerd worden, de verzoeker niet ontheven is van deze opdracht.”
Het arrest motiveert wettig de beslissing dat de verzoeker niet ontheven is van zijn plicht tot de meest gepaste steun ten overstaan van de minderjarige kinderen van de verweerder.