Hof van Justitie - C-123/22 - 13-06-2024

Samenvatting

De zaak Commissie/Hongarije van 2024 (C-123/22) betreft een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 206, lid 2, VWEU. De Commissie was van oordeel dat Hongarije niet de nodige maatregelen had genomen om het arrest in de zaak Commissie/Hongarije van 2020 (C-808/18) uit te voeren betreffende het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie. De Commissie verzocht het Hof om Hongarije te veroordelen tot een forfaitaire som en een dwangsom.

Het arrest van 2020 stelde vast dat de Hongaarse wetgeving in strijd was met Unierecht op vier punten. De strijdigheid werd vastgesteld met betrekking tot ten eerste de toegang tot de procedure voor internationale bescherming, ten tweede de bewaring van personen die om internationale bescherming verzoeken in de transitzones Röszke en Tompa, ten derde de verwijdering van illegaal verblijvende derdelanders, en ten vierde het recht van personen die om internationale bescherming verzoeken om op het Hongaarse grondgebied te blijven tot het verstrijken van de termijn voor de uitoefening van hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en, indien dit recht binnen de gestelde termijn is uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van dat rechtsmiddel. Aangezien de Commissie erkent dat de transitzones Röszke en Tompa intussen gesloten waren, werd het tweede punt irrelevant. Wat betreft de toegang tot de procedure voor internationale bescherming stelt het Hof vast dat Hongarije de verplichting onder artikel 6 van richtlijn 2013/32 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32”) niet is nagekomen. De oorspronkelijk strijdigheid, namelijk het feit dat bepaalde personen hun verzoeken om internationale bescherming slechts konden indienen in de transitzones Röszke en Tompa, was niet verholpen door het sluiten van deze zones. Aangezien de nodige maatregelen ter uitvoering van een arrest uiteraard zelf in overeenstemming moeten zijn met het Unierecht waarvan de schending werd vastgesteld in het arrest dat ten uitvoer moet worden gelegd, oordeelt het Hof dat deze maatregel niet volstaat. Er wordt immers nog steeds geen daadwerkelijke, vlotte en snelle toegang tot de procedure voor internationale bescherming gewaarborgd. Wat betreft de verwijdering van illegaal verblijvende derdelanders oordeelt het Hof dat de procedures en waarborgen van artikels 5, 6, 12, en 13 van Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: “richtlijn 2008/115”) niet in acht werden genomen. Hongarije maakte in diens Asielwet immers de verwijdering mogelijk voor alle illegaal verblijvende derdelanders, met slechts zeer beperkte uitzonderingen. Het Hof verwerpt het Hongaarse argument dat dit gerechtvaardigd zou zijn door de migratiedruk op de Westelijke Balkanroute en het aantal ontheemden uit Oekraïne, aangezien lidstaten in geen geval praktische, administratieve, financiële of interne moeilijkheden mogen aanvoeren ter rechtvaardiging van een niet-nakoming van de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen. Ten laatste, wat betreft het recht van personen die om internationale bescherming verzoeken om op het Hongaarse grondgebied te blijven tot het verstrijken van de termijn voor de uitoefening van hun rechten, oordeelt het Hof dat de Hongaarse regelgeving omtrent de uitoefening van deze rechten te vaag geformuleerd was. Deze regels moeten duidelijk en nauwkeurig omschreven worden, maar de verblijfsvoorwaarde, die Hongarije vooropstelt, is nog steeds niet als dusdanig opgenomen in de Hongaarse Asielwet.

Het Hof concludeert dat Hongarije, door niet de maatregelen te hebben genomen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Hongarije van 2020, de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Het Hof legt een forfaitaire som en dwangsom op.