Hof van Justitie - C-151/22 - 21-09-2023

Samenvatting

De zaak S en A tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie betrof de interpretatie van het begrip “politieke overtuiging”  in de zin van artikel 10, lid 1, onder e) van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: ‘richtlijn 2011/95’).
Het verzoek om de prejudiciële beslissing werd ingediend door de Nederlandse Raad van State in het kader van twee gedingen over de weigering door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om twee Sudanese onderdanen, S en A, de vluchtelingenstatus te verlenen. S en A hadden in Nederland een asielaanvraag ingediend omdat ze beweerden dat ze bij terugkeer naar Sudan vervolgd zouden worden wegens het in Nederland uitvoeren van politieke activiteiten tegen de Sudanese regering, waaronder demonstraties. De Staatssecretaris wees dit verzoek echter af omdat de activiteiten waarvan sprake volgens hem niet voortkwamen uit beschermingswaardige politieke overtuigingen in de zin van artikel 10, lid 1, onder e) van richtlijn 2011/95. Voor de Nederlandse Raad van State rees de vraag of de betrokken overtuigingen van S en A een “bepaalde sterkte” moeten hebben om onder het begrip “politieke overtuiging” in de zin van dat artikel te kunnen vallen in een situatie waarin de verzoeker nog niet negatief in de belangstelling staat van potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst. In dit kader rees verder de vraag of en in hoeverre een dergelijke omstandigheid relevant is voor de beoordeling van de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming.
Het Hof verduidelijkt allereerst dat uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95 blijkt dat het begrip “politieke overtuiging” ruim moet worden geïnterpreteerd. Er is volgens het Hof geen aanwijzing dat de opvattingen, gedachten of meningen van een verzoeker van een dergelijke overtuiging moeten zijn of zo diepgeworteld moeten zijn dat de verzoekers zich in hun land van herkomst niet zouden kunnen onthouden van het uiten ervan. Het Hof benadrukt verder dat de vervolgingsgronden in verband met “godsdienst” en “politieke overtuiging” bedoeld zijn om de toepassing van de grondrechten te bevorderen, zoals respectievelijk gewaarborgd door artikelen 10 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Het Hof concludeert dat alleen een ruime uitlegging van “politieke overtuiging” de doelstelling van richtlijn 2011/95 kan verwezenlijken en de opvattingen, gedachten of meningen van een verzoeker onder het begrip “politieke overtuiging” kunnen vallen, zelfs indien zij in hun land van herkomst nog niet de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging hebben gewekt.
Het Hof stelt verder dat de lidstaten op grond van artikel 4, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 2011/95 een uitputtend en grondig onderzoek moeten verrichten van alle relevante omstandigheden, die verband houden met de specifieke persoonlijke situatie van de verzoeker en de algemene context van het land van herkomst. De mate van overtuiging van de politieke opvattingen van een verzoeker en de vraag of deze activiteiten onderneemt om deze opvattingen te bevorderen zijn relevant, net als het risico dat deze acties de negatieve belangstelling van de potentiële actoren van vervolging hebben gewekt. Het Hof verduidelijkt echter dat de autoriteiten niet kunnen vereisen dat de politieke overtuiging zo diepgeworteld is dat de verzoeker zich niet zou kunnen onthouden van het uiten ervan bij terugkeer naar het land van herkomst om niet de negatieve belangstelling te wekken van potentiële actoren van vervolging in dat land.