Hof van Justitie - C-198/25 - 4-06-2026

Samenvatting

In Quotal verduidelijkt het HvJ de omvang van de rechterlijke toetsing op grond van artikel 46, lid 3, van de Asielprocedurerichtlijn. De zaak betreft een Pakistaanse verzoeker wiens verzoek om internationale bescherming was afgewezen. De verwijzende rechter vroeg onder meer in hoeverre hij in beroep zelf de feiten en de behoefte aan internationale bescherming mag beoordelen.

Het HvJ benadrukt dat artikel 46, lid 3, van de Asielprocedurerichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, vereist dat de rechter in eerste aanleg een volledig en ex nunc onderzoek verricht van zowel de feitelijke als de juridische aspecten van het geschil. De rechter moet daarbij zelf kunnen oordelen over de geloofwaardigheid en de relevante feiten, het bestaan van een risico op vervolging of ernstige schade en uiteindelijk over de vraag of de verzoeker internationale bescherming behoeft. Hij moet bovendien rekening kunnen houden met nieuw bewijsmateriaal dat tijdens de beroepsprocedure wordt aangevoerd.

De lidstaten mogen de bevoegdheden van de rechter niet zodanig beperken dat deze geen daadwerkelijke inhoudelijke beoordeling van de beschermingsbehoefte kan verrichten. Het ex nunc-karakter van de rechterlijke toetsing brengt mee dat ook ontwikkelingen en bewijsmateriaal die dateren van na het bestreden bestuursbesluit in de beoordeling moeten kunnen worden betrokken. Indien de rechter daarbij nieuw, voor de verzoeker nadelig bewijsmateriaal in aanmerking neemt, moet de verzoeker de mogelijkheid krijgen daarover zijn opmerkingen te maken.

De twee arresten van 4 juni 2026 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In Quotal en Ebilum verduidelijkt het HvJ de omvang van de rechterlijke toetsing op grond van artikel 46, lid 3, van de Asielprocedurerichtlijn. De rechter in eerste aanleg moet een volledig en ex nunc onderzoek kunnen verrichten van zowel de feitelijke als de juridische aspecten van een verzoek om internationale bescherming en moet, indien nodig, zelf de internationale beschermingsbehoefte kunnen vaststellen. Nationale procedureregels mogen deze bevoegdheid niet zodanig beperken dat geen daadwerkelijke, volledige rechterlijke toetsing mogelijk is. Ebilum bevat daarnaast een verduidelijking van het materiële criterium van de “gegronde vrees voor vervolging” in artikel 2, onder d), van de Kwalificatierichtlijn. Van een dergelijke vrees is sprake wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de verzoeker bij terugkeer zal worden vervolgd. Samen bevestigen de arresten dat de rechterlijke toetsing van een afwijzende asielbeslissing moet kunnen uitmonden in een volledige en actuele beoordeling van zowel de relevante feiten als de vraag of de verzoeker internationale bescherming behoeft.