Samenvatting
Op 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak Kaduna en Abkez op verwijzing van de rechtbank Den Haag en de Raad van State van Nederland. De zaken hadden betrekking op de interpretatie van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (hierna: ‘richtlijn 2001/55/EG’). De vraag rees op welk moment een EU-lidstaat deze bescherming mag beëindigen of terugkeerbesluiten mag uitvaardigen op grond van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: ‘richtlijn 2008/115/EG’).
De rechtszaken kwamen voort uit het besluit van Nederland om de facultatieve tijdelijke bescherming van bepaalde derdelanders die Oekraïne ontvluchtten na de Russische invasie te beëindigen en hen een terugkeerbesluit op te leggen, waardoor zij de EU moesten verlaten. Aanvankelijk had Nederland op basis van artikel 7 van richtlijn 2001/55/EG facultatieve tijdelijke bescherming verleend aan personen die niet expliciet vielen onder uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. Later besloot Nederland deze bescherming voor die groep in te trekken.
De verwijzende rechters vroegen het Hof of lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 2001/55/EG om extra categorieën ontheemden facultatieve tijdelijke bescherming te bieden, deze bescherming mogen beëindigen voordat de Raad de algemene beschermingsperiode onder artikel 4, lid 2, heeft verlengd. Daarnaast wilden zij weten of een terugkeerbesluit dat vóór het einde van de tijdelijke bescherming wordt genomen, in strijd is met artikel 6 van richtlijn 2001/55/EG, zelfs als dit besluit pas ingaat nadat de bescherming is opgeheven.
Het Hof oordeelde dat richtlijn 2001/55/EG niet verhindert dat een lidstaat, die op basis van artikel 7, lid 1, extra ontheemden facultatieve tijdelijke bescherming heeft verleend, deze bescherming beëindigt voordat de door de Raad vastgestelde periode onder artikel 4, lid 2, afloopt. Wel moet de lidstaat ervoor zorgen dat deze beëindiging de doelstellingen en effectiviteit van richtlijn 2001/55/EG niet ondermijnt en dat het besluit in overeenstemming is met de algemene beginselen van het EU-recht.
Met betrekking tot terugkeerbesluiten verduidelijkte het Hof dat artikel 6 van richtlijn 2001/55/EG lidstaten verbiedt om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die op basis van tijdelijke bescherming legaal op het grondgebied van een lidstaat van de EU verblijft, zolang die bescherming nog van kracht is. Dit verbod geldt ook als die bescherming naar verwachting binnenkort afloopt en de uitvoering van het terugkeerbesluit wordt opgeschort totdat de bescherming formeel is beëindigd.