Samenvatting
In Bukla verduidelijkt het HvJ de grenzen die het Unierecht stelt aan een terugkeerbesluit ten aanzien van een derdelander die gezinslid is van een Unieburger die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. De zaak betreft met name de verhouding tussen artikel 20 VWEU, Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest.
Het HvJ benadrukt allereerst dat de bevoegde nationale autoriteiten, wanneer zij op de hoogte zijn van familiebanden tussen de derdelander en een Unieburger, vóór de vaststelling van een terugkeerbesluit moeten onderzoeken of tussen de derdelander en de betrokken Unieburger een afhankelijkheidsverhouding bestaat die op grond van artikel 20 VWEU in de weg kan staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Dit geldt ook wanneer de betrokken derdelander zich pas tijdens de gerechtelijke procedure voor het eerst op artikel 20 VWEU of op een afhankelijkheidsrelatie beroept. De rechter moet bovendien rekening kunnen houden met relevante feiten die pas tijdens de gerechtelijke procedure aan het licht komen. Een eerder besluit waarbij een verblijfsrecht is geweigerd, staat er niet zonder meer aan in de weg dat artikel 20 VWEU in de terugkeerprocedure opnieuw wordt onderzocht.
Voorts oordeelt het HvJ dat een terugkeerbesluit dat is gebaseerd op een gevaar voor de nationale veiligheid, niet uitsluitend mag steunen op een bindend standpunt van een gespecialiseerde nationale autoriteit. De autoriteit die het terugkeerbesluit vaststelt, moet zelf alle relevante individuele omstandigheden onderzoeken en beoordelen of het besluit evenredig is. Zij mag zich daarbij niet beperken tot een verwijzing naar het standpunt van de gespecialiseerde autoriteit. Een bindend standpunt van een gespecialiseerde veiligheidsautoriteit ontslaat de besluitvormende autoriteit derhalve niet van haar verplichting om zelf een individuele en evenredigheidstoets te verrichten.
Ten slotte behandelt het HvJ de toegang tot gerubriceerde informatie. Nationale veiligheid kan rechtvaardigen dat bepaalde informatie niet volledig aan de betrokkene wordt meegedeeld. Dit mag echter niet tot gevolg hebben dat de rechten van verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte hun nuttige werking verliezen. Wanneer zelfs de essentie van de gronden om redenen van nationale veiligheid niet kan worden meegedeeld, moet de nationale rechter passende conclusies verbinden aan de beslissing om de informatie niet openbaar te maken. De enkele mogelijkheid voor de betrokkene om onder bepaalde voorwaarden toegang te krijgen tot geheime informatie, zonder die informatie vervolgens in de administratieve of gerechtelijke procedure te mogen gebruiken, volstaat niet.
Het arrest bevestigt daarnaast het primaat van het Unierecht. Een nationale rechter mag niet worden verplicht de rechtsopvatting van een hogere nationale rechter te volgen wanneer hij, gelet op de rechtspraak van het HvJ, van oordeel is dat die rechtsopvatting onverenigbaar is met het Unierecht.