Samenvatting
Op 3 april 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak B.F. tegen de Republiek Cyprus (zaak C-283/24). Deze zaak kwam voort uit een prejudiciële vraag van de Cypriotische bestuursrechter. De kwestie betrof een Libanese staatsburger die internationale bescherming aanvroeg en stelde dat hij vanwege zijn politiek activisme en betrokkenheid bij de militaire vleugel van een Libanese politieke partij was gemarteld en vervolgd.
De Cypriotische rechter stelde vast dat de asielautoriteit geen medisch of psychologisch onderzoek had verricht om eventuele tekenen van vervolging of ernstige schade vast te stellen. Zonder een dergelijk onderzoek achtte de rechter het onmogelijk om de geloofwaardigheid van de verzoeker adequaat te beoordelen. Dit onderzoek is immers essentieel voor een volledig en ex nunc onderzoek van een verzoek om internationale bescherming, zoals vereist onder artikel 46, lid 3, van de herziene richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: ‘Procedurerichtlijn’). De rechter vroeg het Hof om verduidelijking van deze bepaling, mede in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgt.
Het Hof herinnerde eraan dat artikel 46 van de Procedurerichtijn inhoudt dat een rechter een volledig en ex nunc onderzoek moet kunnen verrichten, inclusief feiten die na het oorspronkelijke besluit aan het licht komen, zonder dat de zaak hoeft te worden terugverwezen naar de asielautoriteit. De rechter moet zelfstandig alle relevante bewijsmiddelen kunnen verkrijgen en beoordelen om vertraging te vermijden en de procedurele waarborgen van de Procedurerichtlijn te waarborgen.
Hoewel artikel 18 van de Procedurerichtlijn medische onderzoeken regelt, zijn de daarin vermelde bepalingen slechts van toepassing in het kader van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming door de beslissingsautoriteit en niet in het kader van een beroep bij een rechterlijke instantie tegen een besluit van een dergelijke autoriteit. fase van de procedure. De verplichtingen van de rechter in het kader van artikel 46, lid 3 van de Procedurerichtlijn worden dan ook daardoor niet beperkt.
Het Hof oordeelde dat een nationale rechter die uitspraak doet over een afgewezen verzoek om internationale bescherming, daadwerkelijk bevoegd moet zijn om, indien noodzakelijk of relevant voor de beoordeling van dat verzoek, zelf een medisch onderzoek te gelasten. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de eis van een volledig en ex nunc onderzoek, zoals voortvloeit uit de Procedurerichtlijn, het Handvest en artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.