Hof van Justitie - C-359/22 - 18-04-2024

Samenvatting

De prejudiciële beslissing in de zaak AHY t. Minister for Justice betreft de uitlegging van de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: “Dublin III-verordening”) en artikel 47 van het Handvest. Het verzoek om de prejudiciële beslissing rees in een geding tussen een Somalische onderdaan, AHY, en de Ierse minister van Justitie. De Ierse minister van Justitie weigerde gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening biedt om het verzoek van AHY in behandeling te nemen. In de plaats van gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, besloot de Ierse minister om AHY over te dragen naar Zweden, waar hij eerder twee verzoeken om internationale bescherming had ingediend. AHY stelde beroep in tegen het overdrachtsbesluit bij het Ierse High Court, die als verwijzende rechter een verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof van Justitie van de EU (hierna: “het Hof”) instelde.
Ten eerste rees de vraag of artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening de lidstaten verplicht om te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een besluit dat krachtens de discretionaire bepaling van artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening is ingesteld. Artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening biedt het recht om een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen tegen een overdrachtsbesluit. Volgens het Hof kan een besluit genomen krachtens de discretionaire bevoegdheid vervat in artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening echter niet worden gelijkgesteld met een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 27, lid 1, van die verordening, aangezien een discretionair besluit niet is gebaseerd op bindende criteria waaraan de lidstaat moet voldoen. Bijgevolg brengt artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening dan ook geen verplichting voor lidstaten met zich mee om te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een dergelijk discretionair besluit.
Daarnaast vroeg de verwijzende rechter zich af of artikel 47 van het Handvest zich ertegen verzet dat een lidstaat een overdrachtsbesluit uitvoert vóórdat de lidstaat uitspraak heeft gedaan op het verzoek om uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid krachtens artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening. Het Hof verwijst hier naar vaste rechtspraak die stelt dat artikel 47 van het Handvest alleen bedoeld is om te worden toegepast als beroep wordt gedaan op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden of wanneer iemand wordt vervolgd in het kader van een tenuitvoerlegging van het Unierecht. Bij gebreke van een dergelijke link in de situatie van het hoofgeding, oordeelt het Hof dat artikel 47 van het Handvest niet van toepassing is op een dergelijke situatie. Artikel 47 van het Handvest staat er bijgevolg niet aan in de weg dat een lidstaat een overdrachtsbesluit uitvoert voordat uitspraak is gedaan op een verzoek krachtens artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening, of op een beroep tegen het antwoord op een dergelijk verzoek.
Ten slotte vroeg de verwijzende rechter zich af wanneer de termijn van zes maanden voor overdracht van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, vervat in artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening, begint te lopen. Het Hof verduidelijkt dat deze termijn begint te lopen vanaf de datum waarop een andere lidstaat het verzoek tot overname of terugname van de betrokkene aanvaardt, of vanaf de datum van de definitieve beslissing op het beroep tegen een overdrachtsbesluit wanneer overeenkomstig artikel 27, lid 3, van de Dublin III-verordening opschortende werking is verleend.