Samenvatting
De zaak C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing. Dit verzoek werd ingediend in het kader van een geding tussen een derdelander tegen wie een terugkeerprocedure werd ingeleid, de Marokkaanse onderdaan C, en de Nederlandse Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de rechtmatigheid van twee opeenvolgende bewaringsmaatregelen die door de staatssecretaris werden opgelegd.
Op grond van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: ‘Dublin III-verordening’), werd C in bewaring gehouden met het oog op zijn overdracht aan Spanje, de lidstaat die verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Nadat Spanje het verzoek tot overdracht had afgewezen, werd C onderworpen aan een tweede bewaringsmaatregel met het oog op zijn terugkeer naar Marokko, op grond van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: ‘Terugkeerrichtlijn’). C betwistte echter de rechtmatigheid van beide bewaringsmaatregelen. Hij voerde aan dat zijn voortgezette inbewaringstelling onrechtmatig was omdat de eerste bewaringsmaatregel onder de Dublin III-verordening onrechtmatig was geworden nadat Spanje zijn overdracht had geweigerd, waarna hij niet meteen in vrijheid was gesteld.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie kreeg de vraag voorgelegd of het EU-recht, met name artikel 15, leden 2 en 4, van de Terugkeerrichtlijn, artikel 9, lid 3, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: ‘Opvangrichtlijn’), en artikel 28, lid 4, van de Dublin III-verordening, geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vereist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt en die in bewaring wordt gehouden, onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld wanneer een eerdere bewaringsmaatregel onrechtmatig wordt.
Het Hof oordeelt dat de onrechtmatigheid van een eerdere bewaringsmaatregel onder de Dublin III-verordening geen invloed heeft op de rechtmatigheid van een daaropvolgende bewaringsmaatregel die is opgelegd op grond van de Terugkeerrichtlijn met het oog op de terugkeer van een onderdaan van een derde land. Het Hof benadrukt dat bewaringsmaatregelen onder de Dublin III-verordening en onder de Terugkeerrichtlijn verschillende juridische kaders kennen en verschillende doelen dienen. In dit verband herinnert het Hof eraan dat bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn gericht is op het verzekeren van de doeltreffende terugkeer en moet voldoen aan de voorwaarden die in die richtlijn zijn vastgelegd, los van enige eerdere bewaring op basis van de Dublin III-verordening.
Het Hof benadrukt verder dat iedere bewaring, ongeacht het rechtskader, een ernstige inbreuk vormt op het recht op vrijheid en daarom streng moet worden getoetst. Het Hof verduidelijkt echter dat een rechterlijke instantie niet verplicht is om een persoon die in bewaring werd gesteld onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere bewaringsmaatregel onrechtmatig was geworden, mits de daaropvolgende bewaring gebaseerd is op een rechtmatige grondslag.
Het Hof concludeert dat de rechtmatigheid van een tweede bewaringsmaatregel op grond van de Terugkeerrichtlijn niet samenhangt met de rechtmatigheid van een eerdere bewaringsmaatregel onder de Dublin III-verordening. Met andere woorden, het EU-recht verzet zich niet tegen een nationale regeling die de bevoegde rechterlijke autoriteit niet verplicht om te gelasten dat een derdelander die in bewaring is gesteld op grond van een krachtens de Terugkeerrichtlijn opgelegde maatregel, in vrijheid wordt gesteld omdat die persoon, wiens bewaring aanvankelijk was gelast krachtens een op grondslag van de Dublin III-verordening opgelegde maatregel, niet onmiddellijk is vrijgelaten nadat was vastgesteld dat die aanvankelijke maatregel onrechtmatig was geworden.