Samenvatting
De zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betreft een prejudiciële beslissing omtrent de uitlegging van artikel 20 VWEU. De vraag rees in het kader van een geding tussen X, een Thais onderdaan, en de Nederlandse Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Deze laatste had de aanvraag om een verblijfsvergunning van X afgewezen. X had rechtmatig verbleven in Nederland, waar ze gehuwd is geweest met A, een Nederlands staatsburger, met wie X een kind heeft dat de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit kind werd geboren in Thailand en werd opgevoed door zijn grootmoeder van moederszijde, aangezien X na de geboorte terugkeerde naar Nederland. Gedurende zijn hele leven verbleef het kind in Thailand en hij reisde nooit naar Nederland of een andere EU-lidstaat. De Nederlandse autoriteiten besloten de verblijfsvergunning van X in te trekken omdat X en A uit de echt waren gescheiden, waarop X werd uitgezet naar Bangkok. Volgens X heeft A geen affectieve relatie met het kind, dat noch Engels noch Nederlands spreekt, en heeft A geen enkele ouderlijke last gedragen.
De verwijzende rechter heeft het Hof gevraagd of de beginselen ontwikkeld in onder meer Ruiz Zambrano 5c-34/09), Dereci e.a. (C-256/11) en Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15) ook van toepassing zijn in de omstandigheden van deze zaak. In essentie wenste de verwijzende rechter onder meer te vernemen of artikel 20 VWEU zo moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een minderjarig kind dat als Unieburger de nationaliteit van een lidstaat bezit, sinds zijn geboorte buiten het grondgebied van die lidstaat woont en nooit op het grondgebied van de Unie heeft verbleven, uitsluit dat één van zijn ouders, een derdelander van wie dit kind afhankelijk is, in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van dat artikel.
Het Hof heeft ten eerste geoordeeld dat in een dergelijke situatie artikel 20 VWEU niet uitsluit dat een van zijn ouders, een derdelander van wie dit kind afhankelijk is, in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Dit geldt echter enkel voor zover vaststaat dat dit kind samen met die ouder het grondgebied van de lidstaat waarvan het de nationaliteit bezit, in dit geval Nederland, zal binnenkomen en er zal verblijven samen met die ouder.
Het Hof oordeelde vervolgens dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor dit verzoek op grond van het afgeleide verblijfsrecht niet kan afwijzen op grond dat de verhuizing naar die lidstaat niet in het daadwerkelijke of aannemelijke belang van dat kind is. Bovendien oordeelde het Hof dat deze lidstaat bij de beoordeling of het kind ten laste komt van de ouder, rekening moet houden met alle relevante omstandigheden, zonder dat het van doorslaggevend belang wordt geacht dat de ouder uit een derde land niet altijd de dagelijkse zorg voor dat kind op zich heeft genomen maar inmiddels alleen voor dat kind zorgt, of dat de andere ouder, wél een burger van de Unie, de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor dat kind in principe op zich zou kunnen nemen.