Samenvatting
De zaak Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen E. N. e.a. betrof een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 27, lid 3, en artikel 29, leden 1 en 2, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: ‘Dublin III-verordening’). De onderliggende procedure had betrekking op drie derdelanders, E. N., S. S. en J. Y., die in Nederland een verzoek om internationale bescherming hadden ingediend. De Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid diende bij de autoriteiten van andere lidstaten echter verzoeken om overname of terugname van deze derdelanders in, die werden aanvaard. De staatssecretaris besloot dan ook de verzoeken om internationale bescherming zonder onderzoek af te wijzen en hen over te dragen aan de lidstaten die de verzoeken om overname of terugname hadden aanvaard. De rechter in eerste aanleg verklaarde deze besluiten echter nietig en gelastte de staatssecretaris om nieuwe besluiten te nemen over die verzoeken. De staatssecretaris ging hiertegen in beroep bij de Nederlandse Raad van State en verzocht hierbij om voorlopige maatregelen om de overdrachtstermijn op te schorten.
De Raad van State, in casu de verwijzende rechter, vraagt zich echter af of de artikelen 27 en 29 van de Dublin III-verordening zich verzetten tegen de inwilliging van een verzoek om een voorlopige voorziening tot opschorting van de overdrachtstermijn, die een overheidsinstantie heeft ingediend samen met haar hoger beroep tegen een rechterlijke beslissing tot vernietiging van een overdrachtsbesluit.
Het Hof wijst er ten eerste op dat artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening, gelezen in het licht van de artikelen 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alleen vereist dat er een rechtsgang bij de rechter openstaat, en niet dat er een rechtsgang met meerdere instanties wordt ingevoerd. Bij gebreke aan Unieregeling ter zake, oordeelt het Hof dan ook dat het krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om eventueel te besluiten tot invoering van een rechtsgang in tweede aanleg tegen een uitspraak op een beroep of een bezwaar betreffende een overdrachtsbesluit. Het is dan ook aan de lidstaten om in voorkomend geval de procedureregels voor die rechtsgang vast te stellen, met inbegrip van regels over de mogelijkheid om voorlopige maatregelen te treffen. Het Hof onderstreept hierbij echter dat dit enkel geldt op voorwaarde dat die regels in situaties die onder het Unierecht vallen niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden, zoals vereist door het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel vereist verder dat die regels de uitoefening van de door het Unierecht toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
Een rechter in tweede aanleg kan dus op verzoek van de autoriteiten voorlopige maatregelen treffen waardoor deze autoriteiten kunnen afzien van een nieuw besluit en de overdrachtstermijn kunnen opschorten. Dit is echter alleen mogelijk indien de uitvoering van het overdrachtsbesluit ook tijdens het beroep in eerste aanleg krachtens artikel 27, lid 3 of 4, van de Dublin III-verordening is opgeschort.