Samenvatting
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak SN en NL t. Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite betreft de uitlegging van artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: “richtlijn 2011/95”), artikel 40 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32”), en artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”).
Het verzoek werd ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds een moeder en haar minderjarige dochter (SN en LN) en anderzijds de Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite (vicepresident van het nationaal agentschap voor vluchtelingen, Bulgarije). Dit geding betrof de afwijzing door laatstgenoemde van het verzoek van SN en LN om toekenning van de vluchtelingenstatus of, bij gebreke daarvan, van subsidiaire bescherming.
SN en LN zijn beiden staatloze personen van Palestijnse afkomst, die in juli 2018 Gaza-Stad hadden verlaten en irregulier in Bulgarije waren binnengekomen na een doorreis via Egypte, Turkije en Griekenland. Hun eerste verzoek om internationale bescherming in Bulgarije werd definitief afgewezen op grond van het feit dat ze niet hadden aangetoond dat ze de Gazastrook hadden verlaten uit vrees voor vervolging. Vervolgens dienden zij een tweede, eveneens afgewezen, verzoek in, waarbij ze zich beriepen op hun inschrijving bij de Verenigde Naties Relief and Works Agency voor Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA). Aangezien de feitelijke bescherming van UNRWA voor hen zou zijn beëindigd, verzochten ze om de vluchtelingenstatus. De Bulgaarse rechtbank die de zaak behandelde vroeg het Hof om uitleg van richtlijn 2013/32.
Het Hof oordeelt dat artikel 40 van richtlijn 2013/32, in samenhang gelezen met artikel 12, lid 1, sub a, van de richtlijn 2011/95, zo moet worden uitgelegd dat de autoriteit die uitspraak doet over de gegrondheid van een volgend verzoek om internationale bescherming, gehouden is alle ter staving van dat verzoek aangevoerde feitelijke elementen te onderzoeken, ook wanneer deze feiten reeds zijn beoordeeld door de autoriteit die een eerste verzoek om internationale bescherming definitief heeft afgewezen.
Verder stelt het Hof dat artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2013/32 zo moet worden uitgelegd dat de bescherming of bijstand van UNRWA voor een verzoeker om internationale bescherming, die een staatloze persoon van Palestijnse afkomst is, geacht wordt te zijn beëindigd als, ten eerste, de UNRWA niet in staat is deze staatloze persoon menswaardige levensomstandigheden te bieden zonder dat de betrokkene hoeft aan te tonen specifiek te worden getroffen door deze algemene situatie vanwege persoonlijke omstandigheden. Ten tweede, wanneer dezelfde staatloze persoon bij terugkeer in een ernstige onveiligheid zou verkeren, zijn de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten verplicht om een individuele beoordeling te maken van elk verzoek om internationale bescherming. Het Hof verduidelijkt dat de vraag of de bescherming of bijstand van UNRWA als beëindigd moet worden beschouwd moet worden beoordeeld op het tijdstip dat de staatloze persoon de sector van het werkgebied van de UNRWA waar deze persoon vroeger gewoonlijk verbleef, heeft verlaten, op het tijdstip van de beslissing over het verzoek om internationale bescherming door de bevoegde bestuurlijke autoriteiten, of op het tijdstip dat de bevoegde rechterlijke instantie uitspraak doet over een beroep tegen de verwerpingsbeslissing. Het Hof onderstreept dat zowel de levensomstandigheden in de Gazastrook als de capaciteit van UNRWA om haar missie te vervullen, ongekend zijn verslechterd door de gevolgen van de gebeurtenissen op 7 oktober 2023.
Het Hof geeft verder ook aan dat, als de verwijzende rechter zou oordelen dat de bescherming of bijstand van UNRWA moet worden beschouwd als beëindigd voor de twee verzoekers gezien de algemene levensomstandigheden in de Gazastrook op het moment van zijn uitspraak, de rechter alsnog een individuele beoordeling van hun verzoeken moet uitvoeren om na te gaan of de verzoekers onder een van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 1, onder b), lid 2 en lid 3 van de richtlijn 2011/95 vallen.