Hof van Justitie - C-621/24 - 4-06-2026

Samenvatting

In deze zaak verduidelijkt het HvJ de rechten van een verzoeker om internationale bescherming ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is vastgesteld, met name wat betreft de materiële opvangvoorzieningen. De zaak betreft een verzoeker die in Duitsland verbleef en aan wie, in het kader van een Dublinprocedure, bepaalde opvangvoorzieningen waren onthouden. De verwijzende rechter vroeg onder meer of een lidstaat aan een verzoeker met een overdrachtsbesluit bepaalde materiële opvangvoorzieningen mag onthouden en onder welke voorwaarden opvangvoorzieningen kunnen worden beperkt wegens het indienen van een volgend verzoek.

Het HvJ benadrukt dat artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: de Opvangrichtlijn), vereist dat verzoekers om internationale bescherming gedurende de gehele procedure een toereikende levensstandaard wordt gewaarborgd die hun gezondheid en hun levensonderhoud kan verzekeren en hun menselijke waardigheid eerbiedigt. Het feit dat ten aanzien van een verzoeker een overdrachtsbesluit is genomen, brengt niet mee dat hij van de materiële opvangvoorzieningen kan worden uitgesloten. De lidstaat die de verzoeker opvangt, blijft in beginsel gehouden de door de Opvangrichtlijn vereiste materiële opvang te verstrekken.

Daarbij kan niet worden volstaan met een vorm van opvang waarbij bepaalde noodzakelijke voorzieningen structureel ontbreken. Het HvJ betrekt hierbij met name het ontbreken van verstrekkingen in natura voor kleding, huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen en van een financiële toelage voor noodzakelijke persoonlijke behoeften. Of de concrete opvangregeling daadwerkelijk een toereikende levensstandaard waarborgt, moet door de nationale rechter worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden.

Het HvJ verduidelijkt daarnaast dat artikel 20, lid 1, onder c), van de Opvangrichtlijn, dat voorziet in de mogelijkheid om materiële opvangvoorzieningen te beperken of in te trekken wanneer een verzoeker een volgend verzoek indient, alleen kan worden toegepast wanneer daadwerkelijk sprake is van een “volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van de Asielprocedurerichtlijn. De omstandigheid dat een verzoeker zich in een Dublinprocedure bevindt en ten aanzien van hem een overdrachtsbesluit is genomen, volstaat op zichzelf niet om de regels inzake volgende verzoeken toe te passen.

Het arrest bevestigt dat een overdrachtsbesluit op zichzelf geen grond vormt om de materiële opvang van een verzoeker onder het minimumniveau van de Opvangrichtlijn te brengen. Ook binnen een Dublinprocedure moet een menswaardige en toereikende levensstandaard worden gewaarborgd. Voor de beperking of intrekking van opvangvoorzieningen wegens een volgend verzoek is bovendien vereist dat aan de Unierechtelijke voorwaarden voor een dergelijk verzoek is voldaan.