Samenvatting
De zaak A.L. tegen Migrationsverket betrof een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: ‘Terugkeerrichtlijn’).
De zaak betrof een derdelander, A. L., die illegaal in Zweden verbleef maar een tijdelijke Kroatische verblijfsvergunning had. De Zweedse politieautoriteit had een terugkeerbesluit uitgevaardigd jegens hem, hetgeen gepaard ging met een inreisverbod voor Zweden. Uit de verwijzingsbeslissing bleek dat de Zweedse politieautoriteit A. L niet had opgedragen om uit eigen beweging naar Kroatië terug te keren omdat het volgens deze autoriteit waarschijnlijk was dat hij niet aan een dergelijk bevel zou voldoen. A. L. vertrok echter wel vrijwillig naar Kroatië, maar diende tegen die beslissing administratief beroep in bij de Migrationsverk, die dit beroep afwees. In het kader van de beroepsprocedure tegen dit afwijzende besluit bij de bestuursrechter in eerste aanleg in immigratiezaken in Göteborg, werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het Hof’).
Het Hof oordeelt dat artikel 6, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn verplicht om een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfstitel of andere vorm van toestemming tot verblijf, toe te staan zich naar die andere lidstaat te begeven alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen. Volgens Hof geldt deze verplichting zelfs indien de lidstaten het waarschijnlijk achten dat de derdelander geen gehoor zal geven aan het verzoek om zich naar die andere lidstaat te begeven.
Omtrent deze verplichting stelt het Hof verder dat artikel 6, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn rechtstreekse werking heeft en dus door particulieren voor de nationale rechter kan worden ingeroepen. Ten eerste is de verplichting in deze bepaling immers onvoorwaardelijk volgens het Hof. Ten tweede legt deze bepaling die verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen op, hoewel de lidstaten weliswaar een zekere beoordeling hebben bij de vaststelling van de praktische regelingen voor de uitvoering ervan.
Ten slotte oordeelt het Hof dat wanneer een lidstaat, in strijd met die verplichting op grond van artikel 6, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn, een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander niet de gelegenheid heeft gegeven zich naar die andere lidstaat te begeven alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, de bevoegde nationale autoriteiten alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om deze niet-nakoming van de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen te verhelpen. Dit laatste kan bijvoorbeeld leiden tot de nietigheid van het terugkeerbesluit en het daarbij gevoegde inreisverbod.