Samenvatting
Op 30 april 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak K.L. tegen het Migratiedepartement van het Litouwse Ministerie van Binnenlandse Zaken (C-63/24). Deze zaak was aanhangig gemaakt in het kader van een geding voor de hoogste bestuursrechter van Litouwen betreffende de weigering van de migratiedienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken van Litouwen om een onderdaan van een derdelander de vluchtelingenstatus te verlenen. Deze weigering was gebaseerd op het feit dat de betrokkene vóór zijn aankomst in de EU een ernstig niet-politiek misdrijf had gepleegd, ook al had hij daarvoor inmiddels zijn gevangenisstraf uitgezeten.
De verwijzende rechter wilde van het Hof weten of, op grond van artikel 12, lid 2, onder b, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: ‘Kwalificatierichtlijn’), gelezen in samenhang met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de EU, de nationale autoriteiten verplicht zijn om rekening te houden met het feit dat de straf inmiddels is uitgezeten bij de toepassing van de uitsluitingsgrond.
Het Hof herinnerde eraan dat artikel 12, lid 2, onder b, van de Kwalificatierichtlijn aansluit bij artikel 1(F)(b) van het Vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951 en overeenkomstig dat verdrag moet worden uitgelegd. De uitsluitingsgrond heeft tot doel om ernstige niet-politieke misdrijven die vóór de toelating tot het grondgebied als vluchteling zijn gepleegd, te bestraffen en om de geloofwaardigheid van het asielstelsel te waarborgen.
Tegelijk benadrukte het Hof dat deze uitsluitingsgrond niet automatisch mag worden toegepast. Er is steeds een volledige en individuele beoordeling nodig van zowel de ernst van het misdrijf als de persoonlijke situatie van de betrokkene. Daarbij moet ook worden meegewogen dat de straf volledig is uitgezeten en er eventuele rehabilitatie is. Volgens het Hof mag het feit dat iemand op een bepaald moment in diens leven ernstige feiten pleegt, er immers niet noodzakelijkerwijs toe leiden dat die persoon voor altijd onwaardig wordt bevonden voor internationale bescherming. Dit kan dus relevant zijn voor de beoordeling of uitsluiting nog steeds gerechtvaardigd is. Toch sluit het feit dat iemand zijn straf heeft uitgezeten op zichzelf niet uit dat de uitsluitingsgrond alsnog van toepassing kan zijn, als het misdrijf daartoe aanleiding blijft geven.
Het Hof concludeerde bijgevolg dat artikel 12, lid 2, onder b, van de Kwalificatierichtlijn, in samenhang met artikel 18 van het Handvest, zo moet worden uitgelegd dat nationale autoriteiten en rechterlijke instanties bij de beoordeling of een verzoeker moet worden uitgesloten van vluchtelingenstatus, rekening moeten houden met het feit dat die persoon de straf die hem is opgelegd wegens zijn daden, heeft uitgezeten. Dit gegeven moet worden meegenomen, maar verhindert op zichzelf niet dat de uitsluitingsgrond alsnog wordt toegepast.