Samenvatting
Op 8 mei 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen X (Zimir) (C-662/23), naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State van Nederland.
De zaak betrof een Turkse staatsburger die asiel had aangevraagd in Nederland. In 2022 had de Staatssecretaris gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de behandelingstermijn voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, die normaal zes maanden bedraagt, met negen maanden te verlengen. De Raad van State stelde het Hof vragen over de voorwaarden waaronder een dergelijke verlenging is toegestaan volgens artikel 31, leden 3 en 4, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: ‘Procedurerichtlijn’).
Het Hof oordeelde dat een verlenging van de behandelingstermijn met negen maanden enkel is toegestaan wanneer er sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal verzoeken om internationale bescherming binnen een kort tijdsbestek, in vergelijking met het normale en te verwachten patroon in de betreffende lidstaat. Een geleidelijke verhoging van het aantal verzoeken over een langere periode valt daar dus niet onder.
Lidstaten moeten er in beginsel voor zorgen dat hun beslissingsautoriteiten voldoende middelen en passende behandelcapaciteit hebben om schommelingen in het aantal aanvragen op te vangen die binnen de normale verwachtingen vallen. Bij onvoorziene situaties, zoals een sterke toename van het aantal aanvragen in korte tijd, mogen lidstaten echter extra tijd nemen om hun capaciteit uit te breiden en de behandeling van de aanvragen weer in lijn te brengen met de Procedurerichtlijn.
Het Hof maakte daarbij duidelijk dat praktische moeilijkheden, zoals een tekort aan personeel of een bestaande achterstand, op zichzelf geen rechtvaardiging vormen om de behandelingstermijn te verlengen. Alleen een plotselinge en aanzienlijke toename van nieuwe aanvragen kan een dergelijke verlenging onderbouwen, zoals bedoeld in artikel 31, lid 3, onder b, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van de Procedurerichtlijn.