Samenvatting
De zaak Europese Commissie tegen Hongarije betreft een beroep wegens niet-nakoming dat de Europese Commissie had ingesteld tegen Hongarije. Hongarije had volgens de Europese Commissie wetgeving aangenomen die in strijd was met richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: ‘richtlijn 2013/32/EU’) en het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: ‘het Handvest’).
De Hongaarse wetgeving in kwestie legde een voorafgaande procedure op aan bepaalde onderdanen van derde landen en staatlozen die zich op het grondgebied van Hongarije bevinden of zich aan de Hongaarse grenzen melden en internationale bescherming willen aanvragen. De voorafgaande procedure bestond erin dat deze personen eerst naar de Hongaarse ambassade in Servië of Oekraïne moesten reizen om daar persoonlijk een intentieverklaring in te dienen om internationale bescherming aan te vragen. Hierna kon Hongarije beslissen om al dan niet reisdocumenten te verstrekken om het Hongaarse grondgebied te betreden en er een verzoek om internationale bescherming in te dienen.
Het Hof oordeelde dat het indienen van een verzoek om internationale bescherming voor bepaalde derdelanders of staatlozen afhankelijk doen stellen van het indienen van een intentieverklaring en het al dan niet verstrekken van reisdocumenten, indruist tegen de doelstelling van richtlijn 2013/32/EU. Deze is er immers op gericht om een doeltreffende, eenvoudige en snelle toegang tot de procedure voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen. De vereisten in de Hongaarse wetgeving, die niet in artikel 6 van richtlijn 2013/32/EU zijn vastgelegd, verhinderen volgens het Hof net het bereiken van deze doestelling. Iedere derdelander of staatloze heeft immers het recht om een verzoek om internationale bescherming te doen zonder dat de uiting van deze wens aan enige administratieve formaliteit kan worden onderworpen.
Daarnaast stelde het Hof dat de door de Commissie bekritiseerde regeling derdelanders en staatlozen het effectieve genot ontzegt van hun recht om asiel aan te vragen, zoals gewaarborgd door het Handvest.
Volgens het Hof kon Hongarije zich immers niet ter rechtvaardiging beroepen op de strijd tegen de verspreiding van COVID-19. De kwestieuze regeling verplichtte asielzoekers net om zich te verplaatsen naar Servië of Kosovo waardoor zij mogelijk werden blootgesteld aan COVID-19, wat ze op hun beurt dan opnieuw zouden kunnen verspreiden eens aangekomen op Hongaars grondgebied. De Hongaarse autoriteiten slaagden er niet in om aan te tonen dat er geen andere minder verregaande maatregel voorhanden was om deze doelstelling te bereiken.
Wat betreft het beroep van Hongarije op het risico van bedreigingen van de openbare orde en de binnenlandse veiligheid ter rechtvaardiging van deze wetgeving, oordeelde het Hof dat Hongarije hierbij niet aantoonde dat het noodzakelijk was om specifiek af te wijken van de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van richtlijn 2013/32/EU. De wetgeving vormde volgens het Hof dan ook een kennelijk onevenredige aantasting van het recht om een asielaanvraag in te dienen en tijdens de behandeling ervan op het grondgebied te kunnen verblijven. Het Hof concludeerde dat Hongarije diens verplichtingen onder artikel 6 van richtlijn 2013/32/EU niet is nagekomen.