Hof van Justitie - C-921/19 - 10-06-2021

Samenvatting

In de zaak LH t. Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 juni 2021 werd het Hof via de prejudiciële procedure verzocht om de uitlegging van art. 40, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: richtlijn 2013/32/EU), gelezen in samenhang met art. 4, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna richtlijn 2011/95/EU).
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing werd gesteld in het kader van een geding betreffende de afwijzing van een volgend verzoek om internationale bescherming, ingediend door LH, een Afghaanse staatsburger, bij de Nederlandse Staatssecretaris. Bij dit volgend verzoek werden nieuwe documenten overgelegd ter staving van de bewering dat LH individueel bedreigd werd door de Taliban. De Staatssecretaris constateerde echter dat de authenticiteit van deze documenten niet kon worden vastgesteld. Met verwijzing naar de nationale rechtspraak op grond waarvan er geen sprake is van “nieuwe elementen of bevindingen” in de zin van art. 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 indien de authenticiteit van de documenten niet is aangetoond door de verzoeker, werd het volgend verzoek bijgevolg niet-ontvankelijk verklaard. LH tekende beroep aan tegen dit besluit. Hij stelde immers dat het voor hem onmogelijk is om de authenticiteit van de originele documenten aan te tonen en dat het onredelijk is om die bewijslast uitsluitend bij de persoon die om internationale bescherming verzoekt te leggen, terwijl de Nederlandse autoriteiten daartoe beter in staat zijn, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de Afghaanse autoriteiten.
In het kader van de eerste prejudiciële vraag, verduidelijkt het Hof ten eerste dat art. 4, lid 3, onder b), van richtlijn 2011/95 de verplichting oplegt om het verzoek op individuele basis te beoordelen, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met de door de verzoeker overgelegde relevante documenten, zonder echter te vereisen dat die documenten noodzakelijkerwijs geauthenticeerd zijn. Het feit dat een document niet is geauthenticeerd kan er volgens het Hof niet toe leiden dat een volgend verzoek onmiddellijk niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder dat wordt onderzocht of dit document een nieuwe bevinding of een nieuw element vormt en, in voorkomend geval, of het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet. Concluderend stelt het Hof dat op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2011/95, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens dewelke elk document dat door een persoon die om internationale bescherming verzoekt ter staving van een volgend verzoek is overgelegd, automatisch wordt beschouwd als een document dat geen “nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is.
Inzake de tweede prejudiciële vraag onderstreept het Hof dat uit de artikelen 40 tot en met 42 van richtlijn 2013/32, die betrekking hebben op volgende verzoeken, geenszins blijkt dat het de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om lidstaten toe te staan te bepalen dat de beoordeling van de ter staving van een verzoek om internationale bescherming overgelegde bewijzen verschillend kan zijn naargelang het gaat om een eerste verzoek of een volgend verzoek. In beide gevallen dient de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van de verzoeken te worden verricht in overeenstemming met art. 4 van richtlijn 2011/95. Bijgevolg is een verschil in beoordeling naargelang het soort verzoek verboden. Verder verduidelijkt het Hof dat een lidstaat gehouden is samen te werken met een verzoeker bij de beoordeling van de relevante elementen van diens volgende verzoek als de verzoeker ter staving van dat verzoek documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.