Raad van State - 193.522 - 26-05-2009

Samenvatting

Artikel 8 EVRM primeert als hogere norm op de Vreemdelingenwet. De algemene stelling dat een “correcte” toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending van artikel 8 EVRM kan uitmaken, volstaat niet. De toepassing van de Vreemdelingenwet bij het nemen van de bestreden beslissing, zeker wat betreft het bevel om het grondgebied te verlaten, moet aan artikel 8 EVRM getoetst worden. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat de RvV is nagegaan of de minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM heeft voldaan, met name wat betreft de noodzaak in een democratische samenleving van inmenging in het gezinsleven van de verzoekende partij en wat betreft de afweging tussen de belangen van de staat enerzijds en van de verzoekende partij en haar kinderen anderzijds. Het bestreden arrest schendt de motiveringsplicht. Het bestreden arrest wordt vernietigd.