Raad van State - 197.181 - 22-10-2009

Samenvatting

Uit de artikelen 39/69 §1, 39/72 §1 en 39/76 §1 Vreemdelingenwet volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uitsluitend steunt op hetzelfde dossier dat aan de basis lag van de beslissing van de Commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen, eventueel aangevuld met nieuwe elementen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 39/76 §1 Vw. In casu heeft de rechter zijn onderzoek, waarop de beslissing gebaseerd is, niet beperkt tot de elementen waarover hij gehouden was uitspraak te doen maar heeft hij een element toegevoegd dat uit geen enkel procedurestuk, waarmee hij rekening kon houden, blijkt. Dit element, zelfs wanneer het zou gekwalificeerd worden als “algemeen bekend”, lijkt van doorslaggevend belang geweest te zijn voor de administratieve rechter om de status van subsidiaire bescherming te weigeren. Uit het arrest blijkt niet dat verzoeker in kennis gesteld werd van deze informatie, noch dat hij een redelijke termijn kreeg om het op nuttige wijze ter discussie te stellen. Deze kennis, door de rechter verworven buiten het strikte wettelijke kader, heeft betrekking op omstandigheden die dateren van na de beslissing van de Commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen en maakte geen voorwerp uit van een tegensprekelijk debat.