Raad van State - 200.640 - 9-02-2010

Samenvatting

Wanneer een BGV afgeleverd wordt aan een vreemdeling omdat vastgesteld wordt dat hij onregelmatig op het grondgebied verblijft, vormt dit een declaratieve beslissing met betrekking tot een eerder illegaal verblijf. Eens dit illegaal verblijf vastgesteld werd beschikt de administratie over geen enkele appreciatiebevoegdheid meer met betrekking tot de afgifte van het BGV. Bijgevolg moeten de omstandigheden die de vreemdeling inroept om gemachtigd te worden tot een verblijf in België niet in overweging genomen worden bij de afgifte van het BGV aangezien het aan de vreemdeling is om deze in te roepen in het kader van een regularisatieaanvraag op basis van artikel 9bis Vw. Een BGV, op zichzelf genomen, kan dus geen schending uitmaken van artikel 3 EVRM vermits de appreciatiebevoegdheid van de overheid zich beperkt tot het vaststellen van het illegaal verblijf. Daarentegen kan een beslissing houdende onontvankelijkheid van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf, waarvan het BGV slechts het uitvloeisel is, wel een schending uitmaken van bovenvernoemde bepaling wanneer de overheid zich niet op correcte wijze uitgesproken heeft over de omstandigheden ingeroepen door de vreemdeling, die desgevallend een onmenselijke en vernederende behandeling kunnen uitmaken. De administratieve rechter die, zoals in casu, weigert om een beslissing tot onontvankelijkheid van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf, te vernietigen, kan geen verschillende appreciatie geven aan de ingeroepen omstandigheden die een schending zouden uitmaken van artikel 3 EVRM, wanneer hij het BGV onderzoekt, zonder zich schuldig te maken aan een tegenstrijdige motivering.