Samenvatting
Door een minimum van twee jaar relatie op te leggen, miskent de aangevochten bepaling artikel 10 § 1, alinea 1, 5° Vreemdelingenwet, dat een voorwaarde van slechts een jaar relatie oplegt, en niet meer, als minimale duur van de relatie tussen de betrokken vreemdelingen. Door een verbintenis tot tenlasteneming op te leggen eist de bestreden bepaling eigenlijk dat de vreemdeling die vervoegd wordt aantoont dat hij beschikt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State al aangaf in zijn advies, voert artikel 10 § 2 Vreemdelingenwet een dergelijke voorwaarde enkel in voor het geval van artikel 10 § 1, alinea 1, 6°. Artikel 10 § 2 Vreemdelingenwet geeft de Koning geen bevoegdheid om in het geval van artikel 10 § 1, alinea 1, 5° de gezinshereniger te verplichten een verbintenis tot tenlasteneming te ondertekenen.