Raad van State - 203.576 - 3-05-2010

Samenvatting

De verwerende partij heeft te dezen vastgesteld dat een ontvankelijk verklaarde aanvraag omtrent medische regularisatie niet onder artikel 17 van het koninklijk besluit van 9juni 1999 valt. De reden daarvoor is uiteengezet in punt 6 van het bestreden besluit. Zij komt erop neer dat een arbeidskaart C slechts kan toegekend worden wanneer de aanvraag tot medische regularisatie gegrond verklaard is, aangezien de betrokkene pas dan beschikt over een bewijs van inschrijving in het Vreenidelingenregister en uitzicht heeft op een verblijf van onbeperkte duur. Die uiteenzetting beantwoordt aan de voorschriften van de wet van 29 juli 1991. De verzoeker kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat het attest van immatriculatie model A als gevolg van een louter ontvankelijk verklaarde aanvraag conform artikel9ter, tot gevolg heeft dat hij de toepassing van artikel 17, 3° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 kan vragen. Dit is immers enkel het geval wanneer de aanvraag gegrond wordt bevonden want tot dan beschikt de vreemdeling slechts over een voorlopig verblijfsrecht. Met de ontvankelijkverklaring krijgt de aanvrager immers geen uitzicht op een gunstige afloop van het onderzoek ten gronde en geldt de toelating tot verblijf slechts binnen de grenzen van en tot aan de afloop van dat onderzoek. Hij heeft slechts uitzicht op een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur wanneer zijn aanvraag gegrond verklaard wordt. Geen wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de minister voorziet in de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur wanneer de aanvraag conform artikel 9ter enkel ontvankelijk is verklaard.