Raad van State - 206.948 - 26-08-2010

Samenvatting

Met het gebruik van het woord “kan” wordt in die bepaling de mogelijkheid aan de bevoegde minister gegeven om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven, zonder dat er sprake is van een verplichting. Overigens mag er geen bevel gegeven worden wanneer dat in strijd zou zijn met een aantal verdragsrechtelijke bepalingen, zoals artikel 3 van het EVRM. Er is dus geen sprake van een gebonden bevoegdheid. De minister of zijn gemachtigde beslist naar luid van artikel 52/3, § 2, van de Vreemdelingenwet “(...) onmiddellijk bij het indienen van de aanvraag dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 11°, of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen”. De beslissing dat de betrokkene onder de in artikel 7, eerste lid, bedoelde situaties “valt” betekent uiteraard niet dat de in artikel 7, eerste lid voorziene bevoegdheid daardoor een gebonden karakter krijgt. Artikel 74, § 2, van het Vreemdelingenbesluit kan als lagere norm geen gebonden karakter geven aan de in artikel 7, eerste lid, van de Vreemdelingenwet vastgelegde bevoegdheid om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven.