Samenvatting
De verzoeker voert schending aan van artikel 149 Gw., artikel 39/65 Vw., de goede trouw, artikel 1320 en 1322 BW. De verzoeker is van mening dat het aangevochten arrest niet antwoordt op de bemerkingen uit de memorie van antwoord of geen redenen heeft aangehaald om daar niet op te antwoorden. Dit middel wordt onontvankelijk verklaard omdat niet aangeduid wordt hoe het bestreden arrest de artikelen 1320 en 1322 BW schendt of op welke observaties van de memorie van toelichting niet is geantwoord.De verzoeker brengt schending aan van artikel 40§6 Vw. De bij de RvV bestreden beslissing bevat volgens hem geen motivatie over het feit dat de gevolmachtigde van de minister besluit dat XXX ten laste is van zijn zoon en schoondochter of dat de inkomsten van dit gezin voldoende zouden zijn. Het aangevochten arrest miskent de draagwijdte van die eis om ‘ten laste’ te zijn, zoals voorzien in art. 40§6 Vw. en dat deze eis zou voldaan zijn van zodra er sprake is van samenwoonst en van zodra de vreemdeling steun krijgt van zijn familie. De RvS vindt dat de samenwoonst tussen de vreemdelingen en zijn familieleden, het attest van behoeftigheid dat de betrokkene voorlegt en de getuigenissen van de personen die bevestigen dat ze aan de betrokkene geld brachten van haar zoon, terwijl ze nog in XXX woonde, volstaan om te kunnen spreken van ‘ten laste’ in de zin van artikel 40§6 Vw. De RvS vindt dus dat de noodzaak van materieel onderhoud in het herkomstland’ voldoende is aangetoond. Het middel kan niet worden aangenomen. De verzoeker roept een schending van artikel 39/2 Vw. en van de scheiding der machten in. Hij is het oneens met het bestreden arrest daar waar het zegt: ‘gezien de situatie ziet de Raad niet in welk ander document er nog zou geleverd moeten worden. Dus, er mag van uit gegaan worden dat de eiser voldoende bewijs heeft geleverd ten laste te zijn van zijn (schoon)zoon op het moment van de aanvraag’. De RvV is hier volgens de verzoeker overgegaan tot een opportuniteitsoordee