Raad van State - 209.878 - 21-12-2010

Samenvatting

Verzoekende partij voert schending aan van artikel 149 Gw., 9ter en 39/65 Vw. en van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoekende partij voert aan dat het noodzakelijk was de nationaliteit te kennen in de gegrondheidsfase van de 9ter-aanvraag om medische behandeling in het land van herkomst te kunnen beoordelen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 193/2009 dat artikel 9ter Vw. artikelen 10 en 11 Gw. schendt ‘doordat het niet toestaat dat de aanvragers van subsidiaire bescherming die zich beroepen op hun gezondheidstoestand, hun identiteit en nationaliteit op een andere manier aantonen dan door het overleggen van een identiteitsdocument’. De vraag die aan de orde is, is niet deze of de aanvrager zijn identiteit op een andere wijze dan met een identiteitsdocument kan bewijzen maar wel of het bewijs van de identiteit enkel op de identiteit in beperkte zin of ook op de nationaliteit van de aanvrager betrekking moet hebben. Het Grondwettelijk Hof betrekt bij de ontvankelijkheidsvoorwaarde zowel de identiteit als de nationaliteit van de aanvrager. Wel kan het bewijs niet enkel met een identiteitsdocument geleverd worden. Het kan aan de hand van een paspoort, zelfs al is dat vervallen. Een paspoort van een staat die niet meer bestaat, kan niet volstaan als er ernstige twijfel kan bestaan over de latere nationaliteit van de betrokkene. Het behoort dan tot de discretionaire bevoegdheid van de minister, thans staatssecretaris, om daar over te beslissen en bij het jurisdictioneel toezicht daarop, tot de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter. De RvV kon niet tot het besluit komen dat er een voorwaarde aan de wet werd toegevoegd door het bewijs van nationaliteit te eisen. Het latere onderzoek in de gegrondheidsfase zou immers pas mogelijk zijn wanneer de identiteit en de nationaliteit van de betrokkene kan worden vastgesteld. De ambtenaar-geneesheer moet bij het onderzoek van een adequate behandeling in het land van herkomst of verblijf weten ten aanzien van welk land hij dit moet doen. De minister, thans staatssecretaris, mag dus een bewijs vragen van de voorgehouden Oekraïense nationaliteit als er ernstige twijfel daarover bestaat. De aanvrager beriep zich in 2009 op een in 1991 vervallen Sovjet-Russisch paspoort en het is zelfs onduidelijk of hij de Oekraiense nationaliteit verloren heeft of niet en of hij zich op zijn Poolse afkomst kan beroepen of niet.