Samenvatting
Blijkens artikel 39/2, § I, tweede lid, 2°, van de Vreemdelingenwet kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voor hem bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om twee limitatief bepaalde redenen vernietigen, met name (I) wanneer aan deze beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door hem niet kan worden hersteld, en (2) wanneer essentiële elementen ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming ervan zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen. Waar in het tweede geval moet worden aangetoond dat het op grond van het rechtsplegingsdossier niet mogelijk is de zaak met kennis van zaken te onderzoeken, is dit in het eerste geval niet vereist. Het criterium is dan niet of op grond van het dossier tot de bevestiging of de hervorming van de bestreden beslissing kan worden gekomen, doch wel of de bestreden beslissing aangetast is door een substantiële onregelmatigheid die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden hersteld. Het standpunt van de verzoekende partij komt erop neer dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de Commissaris-generaal slechts kan vernietigen indien hij niet over alle noodzakelijke gegevens beschikt om uitspraak te kunnen doen. Deze zienswijze kan niet gevolgd worden omdat ze ieder nut ontneemt aan artikel 39/2, § I, tweede lid, 2° in zoverre dit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen machtigt om de beslissing van de Commissaris-generaal te vernietigen wanneer aan deze beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door hem niet kan worden hersteld. Wanneer ook dan de nodige gegevens zouden dienen te ontbreken om uitspraak te kunnen doen, had de wetgever geen twee hypotheses voorzien, doch had zich beperkt tot de tweede hypothese. De wet kent aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk een vernietigingsbevoegdheid met terugzending toe wanneer aan de beslissing van de Commissaris-g