Samenvatting
Artikel 39/60, tweede lid van de Vreemdelingenwet stelt dat de debatten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaan over de middelen “uiteengezet in het verzoekschrift of in de nota”. Daaruit volgt dat in geval van verwijzing na cassatie, de anders samengestelde rechtbank maar mag acht slaan op de geschreven stukken en op het arrest van de Raad van State. Deze regels zijn onverenigbaar met de bepalingen van het gerechtelijk wetboek waarnaar in het middel wordt verwezen. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen om op de zitting mondeling argumenten te ontwikkelen met betrekking tot het arrest van verwijzing. Met betrekking tot de rechten van de verdediging faalt het middel in feite. De regels met betrekking tot de onaantastbaarheid van administratieve aktes en de intrekking van administratieve aktes zijn van openbare orde. Het middel dat op deze regels steunt moet ambtshalve opgeroepen worden en kan voor het eerst in cassatie worden ingeroepen. De intrekking van een akte die rechten in het leven roept, zoals een machtiging tot vestiging in het Rijk, is ten allen tijde toegelaten met name wanneer die voortvloeit uit frauduleuze ingrepen van de betrokkene of wanneer een bepaling dat uitdrukkelijk voorziet. Zulke bepaling is voorzien in de Vreemdelingenwet. Het bestreden arrest stelt dat verwerende partij gevestigd was in het Rijk op het moment dat tot haar verwijdering beslist werd. Op basis van artikel 18, § 2 van de Vreemdelingenwet, zoals toen van toepassing, kan de “De minister of zijn gemachtigde [kan] beslissen dat de vreemdeling die gemachtigd werd zich in het Rijk te vestigen op grond van artikel 14 of die de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van artikel 15bis, niet meer het recht heeft er te verblijven en/of deze status verliest als hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van het recht op verblijf of om de machtiging tot verblijf te bekomen, om de machtiging tot vestiging te bekomen of om de status van langdurig ingezetene te verwerven.” Het bevel om het grondgebied te verlaten concretiseert deze beslissing. Deze houdt een intrekking van de machtiging tot vestiging in die impliciet is maar zeker. Door een bijkomende beslissing van een expliciete intrekking te vragen, doet de administratieve rechter een toevoeging aan de wet.