Samenvatting
Een middel gericht tegen een onwettigheid die de RvV heeft begaan, die pas blijkt uit de bestreden beslissing en die niet voorkomt in de aanvankelijk bestreden beslissing van de minister voor Migratie- en Asielbeleid, is geen nieuw middel. De rechten van de verdediging zijn niet van toepassing op gewone administratieve beslissingen in uitvoering van de vreemdelingenwet maar wel op beslissingen van administratieve rechtscolleges zoals het bestreden arrest. Het middel is ontvankelijk. De visumaanvraag van de verzoeker werd met de aanvankelijke beslissing geweigerd omdat de verzoeker zich niet kon beroepen op de richtlijnen van artikel 40ter van de Vw. Het zou om een schijnhuwelijk gaan met als enig doel het verstrekken van een verblijfsrechtelijk voordeel. Voor de RvV riep de verzoeker schending in van artikel 10, 12bis, 40ter en 43 Vw. Behalve op artikel 40ter Vw. kon de verzoeker zich ook op artikel 10 Vw. beroepen. Artikel 12bis, § 2 Vw. voorziet immers een vervaltermijn van negen maanden om een beslissing te nemen. Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn moet een toelating gegeven worden. Gezien er al meer dan een jaar verlopen was tussen het indienen en de beslissing, moet er een toelating gegeven worden. Het bestreden arrest verwerpt die stelling. Volgens de RvV begint de termijn van negen maanden pas te lopen als het de documenten besproken in artikel 12bis, § 2 Vw. bij de aanvraag gevoegd worden. Er blijkt niet dat de verzoeker alle vereiste stukken heeft neergelegd, noch dat de termijn van negen maanden zou zijn beginnen lopen, laat staan dat deze termijn zou zijn verstreken. De aanvankelijke bestreden beslissing werd dus niet genomen omdat de aanvraag van de verzoeker onvolledig zou zijn geweest. Nergens blijkt dat men gedurende de behandeling van de aanvraag aan de verzoeker naar bijkomende stukken heeft gevraagd. Voor de RvV heeft de verwerende partij ook niet laten gelden dat het dossier onvolledig was. Het eerste middel van het beroep tot nietigverkl