Raad van State - 214.676 - 18-07-2011

Samenvatting

In het bestreden arrest wordt weergegeven wat de verzoeker in zijn verzoekschrift voor de RvV over de “gegrondheid van het beroep” heeft aangevoerd. Daaruit kon de RvV op wettige wijze afleiden dat de verzoeker met een uiteenzetting van de feiten en de stelling dat “zijn rechten” zijn geschonden niet op voldoende wijze te kennen geeft welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zou zijn geschonden en op welke wijze die schending zou zijn gebeurd. Het gaat dus niet om een middel in de zin van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4° Vw. Het eerste middel is in die mate ongegrond. De stelling dat de verwerende partij onredelijk zou hebben beslist, komt niet voor in het middel ontwikkeld voor de RvV, doch enkel in de uiteenzetting “wat de vordering tot schorsing betreft”, meer bepaald met betrekking tot het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De RvV kon wettig vaststellen dat het om een uitbreiding, een “nieuw middel” gaat, dat “niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst ter terechtzitting kan worden aangevoerd. Het gaat immers niet om een middel van openbare orde noch om een middel dat de verzoeker niet in het inleidend verzoekschrift kon aanvoeren”. De argumentatie over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft betrekking op een afzonderlijke voorwaarde die afzonderlijk moet worden onderzocht, zonder na te gaan of die uiteenzetting eventueel een middel kan vormen. Het eerste middel is ook in die mate ongegrond. Het recht van verdediging houdt niet in dat de RvV verplicht zou zijn vooraf zijn beoordeling van de (niet-)ontvankelijkheid van een middel aan de partijen voor te leggen. Het tweede middel is ongegrond. De Raad van State verwerpt het beroep.