Raad van State - 215.497 - 3-10-2011

Samenvatting

Het bestreden arrest wel degelijk gemotiveerd wat betreft de weigering van het visum. Het bestreden arrest stelt dat de gemachtigde van de minister, gelet op artikel 46 WIPR en rekening houdend met de Belgische nationaliteit van de echtgenoot van de verzoeker, mocht onderzoeken of onder meer aan artikel 146bis BW was voldaan. Het bestreden arrest benadrukt dat de grondvoorwaarden voor het huwelijk, “die betrekking hebben op beide echtgenoten”, op cumulatieve wijze aan de nationale wetten van beide partners zijn onderworpen en dat de nationale wet met de meest beperkende regeling moet worden toegepast. De RvV besluit dat de verwerende partij bevoegd was om het huwelijk van de verzoekster, die de Chinese nationaliteit heeft, aan artikel 146bis BW te toetsen. De Raad kon ook stellen dat de overweging in de aanvankelijk bestreden beslissing dat “voor Belgische onderdanen, artikel 146bis BW bepaalt, (…)”als overtollig moet worden beschouwd. De RvV heeft de wettigheid van de weigering van het visum wel onderzocht en zich dus niet onbevoegd verklaard. Het middel dat ertoe strekt aan te tonen dat het bestuur ten onrechte het huwelijk van de verzoekster niet als rechtsgeldig heeft beschouwd werd onontvankelijk beschouwd. Daardoor zou de Raad zich over een burgerlijk recht moeten uitspreken. De RvV is bij toepassing van artikel 144, 145 Gw. en artikel 39/1 Vw. als enige bevoegd voor beroepen tegen individuele beslissingen die zijn genomen met toepassingen van de wetten over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel 27, § 1, laatste lid WIPR bepaalt dat ingeval de overheid weigert een akte te erkennen, (…) beroep (kan) worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Om uit te maken of het geschil over burgerlijke of over politieke rechten gaat, moet niet het formele maar het werkelijke en rechtstreekse voorwerp in aanmerking worden genomen. De verzoekster had voor de RvV de kwalificatie van schijnhuwelijk, die in de aanvankelijk bestreden beslissing aan haar huwelijk was gegeven, betwist. De Raad kon dus op wettige wijze het onderdeel van het middel dat ertoe strekte aan te tonen dat het bestuur haar huwelijk ten onrechte niet als rechtsgeldig had beschouwd en dat de Raad uitnodigde zich over de voorgehouden schending van een burgerlijk recht uit te spreken, niet-ontvankelijk verklaren. Bovendien wordt in het bestreden arrest duidelijk aangegeven waarom het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het middel een burgerlijk recht is.Uit behandeling van het eerste onderdeel van het enige middel blijkt dat de RvV in het betreden arrest omstandig heeft uiteengezet waarom de verwerende partij bevoegd was het huwelijk van de verzoekster, waarop zij zich beriep om een visum aan te vragen, aan artikel 146bis BW te toetsen. Bij de behandeling van het eerste en het tweede onderdeel is vastgesteld dat de beoordeling hiervan door de RvV niet onwettig was. Artikel 46, eerste lid, WIPR bepaalt dat, onder voorbehoud van artikel 47 WIPR, de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot worden beheerst door het recht van de staat waarvan hij bij de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit heeft. Echtgenoten van verschillende nationaliteit zijn op distributieve wijze aan hun nationale wet onderworpen. Geldigheidsvoorwaarden die betrekking hebben op beide echtgenoten, zijn evenwel op cumulatieve wijze aan beide nationaliteiten onderworpen, waarbij de meest beperkende wet wordt toegepast.