Raad van State - 216.506 - 25-11-2011

Samenvatting

Artikel 149 Grondwet en artikel 39/65 Vreemdelingenwet hebben betrekking op de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdisctionele beslissingen. Dit staat los van de vraag hoe een overeenkomst inhoudelijk moet worden begrepen of welke haar gevolgen zijn. De verzoeker argumenteerde dat men niet de letterlijke tekst van de arbeidsovereenkomsten maar de tekst in functie van de arbeidsrechtelijk context in aanmerking moet nemen. De RvV heeft de argumentatie van de verzoeker duidelijk beantwoord. Dit blijkt uit de overwegingen van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing voldoet dus aan de motiveringsplicht. De RvV mag in het kader van zijn annulatiebevoegdheid geen uitspraak doen over de subjectieve rechten die de verzoeker zou putten uit een arbeidsovereenkomst. Het ging hier om het loon dat de verzoeker zou moeten ontvangen. De RvV moet enkel nagaan of de bestreden beslissing op feitelijk juiste gegevens steunde, wat betreft het loon in de voorgelegde arbeidsovereenkomsten. De RvV kon wettig vaststellen dat in de eerste overeenkomst een bruto maandloon van 1352 euro en in de tweede een loon van 1299,61 euro staat vermeld. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de eventuele gevolgen van de aangehaalde CAO’s, waardoor het minimum bruto maandloon in wezen 1387.49 euro zou bedragen. De Raad moet daar geen uitspraak over doen. Daarom heeft hij ook de bepalingen over het minimumloon of over de interpretatie van de arbeidsovereenkomsten niet geschonden. In het bestreden arrest stelt de Raad wettig vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing op dat punt op juiste feitelijke gegevens is gesteund.