Samenvatting
De verzoekster heeft voor de RvV de schending van artikel 8 EVRM opgeworpen en erop gewezen dat haar gezinsleven bij repatriëring naar Turkije zou worden vernietigd en dat niet aan artikel 8, tweede lid EVRM zou zijn voldaan. Uit die passus blijkt voldoende het belang van de verzoekster bij haar beroep tot nietigverklaring. Dat belang verdwijnt niet alleen door de gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, namelijk een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving met het oog hierop. Een andere oordeel zou het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel aanzienlijk uithollen. Ook na deze tenuitvoerlegging kan de verzoekster zich nog op schending van artikel 8 EVRM beroepen. Hier bestaat de schending erin dat de RvV niet is nagegaan of aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM is voldaan met betrekking tot de inmenging van het openbaar gezag in het voorgehouden gezinsleven van de verzoekster. De verwerende partij stelt dat het om een schijnhuwelijk zou gaan en dat er geen aangetoond gezinsleven zou zijn. Dat verweer betreft echter de grond van de zaak, waarover het bestreden arrest heeft nagelaten uitspraak te doen. Ook de stelling van de verwerende partij dat een “rechtmatige” toepassing van de Vreemdelingenwet artikel 8 EVRM niet kan schenden, volstaat niet. Deze bepaling heeft directe werking en primeert als hogere norm op de Vreemdelingenwet. Wanneer schending van artikel 8 EVRM wordt opgeworpen, moet worden onderzocht of de toepassing van de Vreemdelingenwet in het licht daarvan wel “rechtmatig” is gebeurd. Het middel is gegrond. Het bestreden arrest wordt vernietigd