Raad van State - 216.840 - 13-12-2011

Samenvatting

De verzoekster voerde voor de RvV aan dat zij bij haar derde asielaanvraag melding had gemaakt van een belangrijke nieuwe gebeurtenis, met name het overlijden van haar oom. De RvV ging niet na of het nieuwe gegeven reeds het voorwerp had uitgemaakt van een onderzoek in het kader van een eerdere asielaanvraag. Hij ging ook niet na of het betrekking heeft op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de verzoekster ze had kunnen aanbrengen. De RvV neem impliciet maar zeker aan dat de verwerende partij een nieuwe asielaanvraag kan weigeren in aanmerking te nemen wanneer de nieuwe gegevens de beweerde vrees voor vervolging of het beweerde risico op ernstige schade niet kunnen gronden. Deze appreciatie kan niet gebeuren in de fase van overwegingname van een nieuwe asielaanvraag. De DVZ kan in die fase alleen vaststellen of er al dan niet nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 Vw. worden aangebracht. Door er van uit te gaan dat de minister of diens gemachtigde kan weigeren een nieuwe asielaanvraag in aanmerking te nemen wanneer het aangehaalde nieuwe element niet genoegzaam wordt bewezen door de aangebrachte stukken, heeft de RvV de beperkte beoordelingsbevoegdheid van het bestuur miskend en artikel 51/8 Vw. geschonden. De RvV vernietigt het bestreden arrest.