Raad van State - 220.320 - 13-07-2012

Samenvatting

Wanneer de echtgenote of de partner van een unieburger slachtoffer is van huiselijk geweld kan de minister of zijn gemachtigde geen einde maken aan het verblijf voor zover deze aantoont voldoende bestaansmiddelen te hebben en een ziekteverzekering die de risico’s in België dekt. Artikel 42quater, § 4 Vw. maakt een derogatoire bepaling uit die, als de voorwaarden ervan voldaan zijn, § 1 van dat artikel niet toepasbaar maakt. Zo kan de vreemdeling toch zijn verblijfsrecht behouden. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij stelt, moet de betrokken vreemdeling niet op een andere basis een nieuwe aanvraag indienen. De vreemdeling die het voordeel van die derogatoire clausule wil gebruiken, moet enkel aan de overheid laten weten dat hij aan de voorwaarden voldoet om er van te genieten.
 
Gezien de informatie in verband met het huiselijk geweld waarover de DVZ beschikte, had hij een onderzoek ter zake moet voeren. Het is niet de vreemdeling die moet aantonen dat hij zich in de voorwaarden bevindt die hem toestaan om zijn verblijfsrecht te behouden.
 
De DVZ werd geïnformeerd over de feiten van huiselijk geweld. Hij moet hiermee rekening houden en op zijn minst een onderzoek voeren naar de feiten. Dergelijke feiten vormen immers een uitzondering op het intrekking van een verblijfsrecht.