Raad van State - 220.350 - 20-07-2012

Samenvatting

Dat de termijn waarvoor een visum kort verblijf werd aangevraagd verstreken is, zorgt er niet voor dat de aanvrager het belang verliest. De behandelingstermijn van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is meestal al langer dan de termijn waarop een beslissing met een in de tijd beperkte uitwerking betrekking heeft. Uit niets blijkt dat de wetgever beroepen tegen dergelijke beslissingen uit de annulatiebevoegdheid, vastgelegd in artikel 39/2, § 2 Vw., van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wou uitsluiten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan op die manier rekening houden met het risico voor de verzoeker om in de toekomst met gelijkaardige onwettig geachte beslissingen te maken te krijgen en met de mogelijkheid om een carrousel van onwettige beslissingen te kunnen doorbreken. De annulatierechter moet bij het onderzoek van het belang de concrete omstandigheden van de zaak onderzoeken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag zich niet beperken tot de algemene stelling dat de termijn waarvoor het visum werd aangevraagd verstreken is en dat voor het verleden geen visum kan worden uitgereikt.