Samenvatting
Het ingediend medisch attest is inhoudelijk volledig gelijk is aan het standaard medisch getuigschrift, met uitzondering van de hoofding. Alle in het attest vermelde rubrieken zijn identiek aan het model. De ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling zijn vermeld. De aanvraag om machtiging tot verblijf, met in bijlage het medisch attest, werd met een ter post aangetekend brief naar de “Dienst Vreemdelingenzaken, Dienst Medische Regularisaties” gestuurd. Er heeft nooit enige betwisting bestaan wat het voorwerp van de aanvraag was en bij wie ze moest terechtkomen, samen met het medisch attest. In het bestreden arrest kon men dus wettig stellen dat het medisch attest, samen met de aanvraag om machtiging tot verblijf, volledig beantwoordt aan de ratio legis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. In het bestreden arrest kon men dan ook wettig besluiten dat de DVZ door alleen op grond van het kleine verschil in de hoofding van het medisch attest “te oordelen dat het in casu voorgelegde medisch attest niet het standaard medisch getuigschrift is zoals vereist door artikel 9ter van de Vreemdelingenwet en door louter op deze basis het verzoek onontvankelijk te verklaren zonder na te gaan of de gegevens die in het voorgelegde medisch attest verstrekt worden inhoudelijk overeenstemmen met de gegevens die dienen vermeld te zijn in het standaard medisch getuigschrift, (…) volledig voorbij(gaat) aan de bedoeling van de wetgever die erin bestaat de verwerende partij te voorzien van de noodzakelijke inlichtingen teneinde tot een beoordeling te kunnen komen van de aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet”. Dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 82/2012 van 28 juni 2012 de vereiste van een standaard medisch getuigschrift voor aanvragen op grond van artikel 9ter van die wet als dusdanig heeft aanvaard, doet hier geen afbreuk aan. Bij zijn wettigheidscontrole als annulatierechter kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagaan of het bestuur bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan niet op kennelijk onredelijke of op onzorgvuldige wijze tot zijn besluit is gekomen. Hier heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest onderzocht of de aanvankelijk bestreden beslissing in overeenstemming met artikel 9ter van de Vreemdelingenwet was. Hij heeft vastgesteld dat dit niet het geval was. Hij heeft daarmee zijn bevoegdheid als annulatierechter niet overschreden. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat hij met die vaststelling ook de daarin reeds aan bod gekomen bepalingen niet heeft geschonden.