Raad van State - 221.438 - 21-11-2012

Samenvatting

Vermits het standaard medisch getuigschrift overeenkomstig artikel 9ter, § 1, vierde lid van de Vreemdelingenwet de graad van de ernst van de aandoeningen dient te vermelden terwijl in het model voor het standaard medisch getuigschrift dergelijke rubriek niet is voorzien, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze en zonder schending van artikel 9ter aanvaarden dat de graad van ernst uit de “gedetailleerde beschrijving van de aard en de ernst van de aandoeningen” kan worden afgeleid, te dezen uit de beschrijving van de aandoening met de vermelding dat zij “ernstig” is indien zij niet op adequate wijze wordt behandeld. De vraag of de graad van ernst van de aandoening voldoende blijkt uit het standaard medisch getuigschrift is een feitenkwestie waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet kan uitspreken. Hij vermag ook niet in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die het bestreden arrest als annulatierechter heeft uitgesproken, de aanvankelijk bestreden beslissing zelf als kennelijk onredelijk of niet te beoordelen. Het eerste middel is ongegrond.
 
De huidige verweerders hadden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer een schending van de materiële motiveringsplicht opgeworpen. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole als annulatierechter kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagaan of het bestuur bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan niet op kennelijk onredelijke wijze tot zijn besluit is gekomen. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest onderzocht of het op grond van de gegevens uit het administratief dossier niet kennelijk onredelijk was om op grond van een voorgehouden gebrek aan voldoende vermelding van de graad van ernst van de aandoening tot de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf te besluiten. Hij heeft daarmee niet ten gronde als een rechter in hoger beroep beslist doch enkel de aanvankelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk geacht. Waar de verzoekende partij een deel van het eerste middel herneemt, kan naar de behandeling van dat middel worden verwezen. Het tweede middel is ongegrond.